ECLI:NL:RBSGR:2004:AP8666

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
7 juli 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 03/4829 CSV en AWB 03/4830 CSV
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • E.R. Eggeraat
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:77 AwbArt. 7:4 AwbArt. 10 CwSVArt. 12c CwSVArt. 26b Wet op de loonbelasting 1964
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling premienaheffing en boeteoplegging wegens schending loonopgaveverplichting en WID-verplichtingen

Eiseres, een uitzend- en detacheringsbureau, werd door verweerder geconfronteerd met correctienota's en boeten over de jaren 2000 en 2001 wegens betalingen aan onbekende werknemers en schending van de loonopgaveverplichting. Een looncontrole en onderzoek van de Arbeidsinspectie brachten tekortkomingen in de loonadministratie aan het licht, waaronder het ontbreken van kopieën van identiteitsbewijzen en het gebruik van vervalste documenten.

Eiseres betwistte de weigering van verweerder om inzage te geven in onderzoeksbescheiden van de Arbeidsinspectie en de Belastingdienst, maar de rechtbank oordeelde dat verweerder slechts een indicatieblad had ontvangen en dat de relevante informatie reeds in het looncontrolerapport was verwerkt. Tevens stelde eiseres dat dubbele bestraffing plaatsvond door zowel boetes als strafrechtelijke vervolging, maar de rechtbank volgde de economische politierechter die oordeelde dat de feiten en tijdvakken niet overeenkwamen.

De rechtbank stelde vast dat eiseres ernstig tekort was geschoten in het naleven van de verificatieplicht van identiteitsbewijzen, ondanks waarschuwingen. De toepassing van het anoniementarief en de boeteoplegging waren daarom terecht en niet onevenredig. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen premienaheffing en boeteoplegging wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank ‘s-Gravenhage
sector bestuursrecht
eerste afdeling, enkelvoudige kamer
Reg. nr. AWB 03/4829 CSV en AWB 03/4830 CSV
UITSPRAAK
als bedoeld in artikel 8:77
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Uitspraak in het geding tussen
Colonnade Uitzend- en Détacheringsbureau B.V., gevestigd te Den Haag, eiseres,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.
Ontstaan en loop van het geding
Bij besluiten van 14 april 2003 in de vorm van correctienota’s heeft verweerder eiseres er van in kennis gesteld dat zij over de jaren 2000 en 2001 betalingen heeft gedaan aan onbekende werknemers en dat daarover premie wordt nageheven. Tevens heeft verweerder bij besluiten van 21 april 2003 over diezelfde jaren boeten aan eiseres opgelegd wegens schending van de loonopgaveverplichting.
Bij besluiten van 3 oktober 2003 zijn de hiertegen door eiseres gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Tegen deze besluiten heeft eiseres bij brief van 12 november 2003, bij de rechtbank op dezelfde dag ingekomen, beroep ingesteld.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 30 maart 2004 heeft eiseres de beroepsgronden nader aangevuld en daarbij stukken in het geding gebracht.
Het beroep is op 27 april 2004 ter zitting behandeld. Eiseres is verschenen bij gemachtigde mr. H.D. Gelderloos, advocaat te Den Haag. Tevens is verschenen M. Terlemis, directeur van eiseres.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.O. Voors.
Motivering
Eiseres verleent diensten, onder meer op projectbasis in de uitzend- en detacheringsbranche. Verweerder heeft op 2 november 2001 een bedrijfs-bezoek bij eiseres afgelegd waarbij aan eiseres voorlichting over werkgeversverplichtingen is gegeven. Op 25 april 2002 is bij eiseres een looncontrole betrekking hebbend op de jaren 2000 en 2001 aangevangen. Daarbij is door verweerders looninspecteurs een aantal tekortkomingen in de loonadministratie van eiseres geconstateerd. In het bijzonder is vastgesteld dat uit de Wet op de Identificatieplicht (WID) in verbinding met de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI) voortvloeiende verplichtingen door eiseres niet op de voorgeschreven wijze zijn nageleefd. Deze bevindingen zijn vastgelegd in een looncontrolerapport van 24 september 2002.
Tevens heeft in de loop van 2002 de Dienst Arbeidsinspectie van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een onderzoek bij eiseres ingesteld.
Naar aanleiding van een vanwege eiseres ingezonden reactie op het looncontrolerapport van 24 september 2002 hebben de looninspecteurs op 6 maart 2003 een aanvullend rapport uitgebracht.
Het Openbaar Ministerie heeft in een jegens eiseres uitgebrachte dagvaarding overtreding van bepalingen in de WID en het Wetboek van Strafrecht (Sr) tenlastegelegd.
De economische politierechter heeft eiseres bij vonnis van 4 december 2003 veroordeeld tot een geldboete van € 1.800,= wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), te weten het laten verrichten van arbeid door werknemers zonder tewerkstellingsvergunning.
De rapportage van verweerders afdeling looninspectie heeft verweerder ertoe gebracht over de jaren 2000 en 2001 premie werknemersverzekerings-wetten na te heffen verband houdend met de herberekening op grond van het zogeheten anoniementarief als bedoeld in artikel 26b van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet Lb) van het brutoloon van een aantal werknemers wegens schending van de voorschriften van de WID en de Wet SUWI. Tevens heeft verweerder over dezelfde jaren boeten opgelegd omdat eiseres de loonopgaveverplichting van artikel 10, tweede lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CwSV) heeft overtreden. Tegen deze premienaheffing en boeteoplegging richt zich het beroep van eiseres.
De rechtbank stelt voorop dat eiseres de bevindingen van verweerders looninspecteurs als zodanig niet bestrijdt en gaat er derhalve met partijen van uit dat van vier werknemers van eiseres een loonbelastingverklaring en van drie werknemers een kopie van een identiteitsbewijs in haar administratie ontbrak, dat van zesentwintig werknemers de achterzijde van het identiteitsdocument ontbrak waardoor verificatie van de handtekening niet mogelijk was en ten slotte, dat met betrekking tot vijfendertig werknemers andere omissies, te weten valse paspoorten en/of identiteits-kaarten zijn geconstateerd. Daarbij heeft verweerder blijkens het nadere looncontrolerapport van 6 maart 2003 premiecorrecties ten aanzien van een achttal met name genoemde werknemers laten vervallen, omdat de Belastingdienst met betrekking tot deze personen heeft afgezien van hantering van het anoniementarief. De correctienota’s zijn met de hiermee samenhangende bedragen verminderd.
Eiseres keert zich in de eerste plaats tegen de weigering van verweerder om inzage te geven in de vanwege de Arbeidsinspectie aan verweerder ter beschikking gestelde onderzoeksbescheiden, alsmede de rapportage van de Belastingdienst. Zij stelt dat zij in haar processuele positie is benadeeld.
De rechtbank verwerpt dit standpunt. Verweerder heeft gezien de brief van 3 juni 2002 waarmee de regionaal directeur van de Arbeidsinspectie aangifte bij het Openbaar Ministerie heeft gedaan, van de Arbeidsinspectie niet meer dan een indicatieblad ontvangen met daarop de belangrijkste bevindingen van het onderzoek. De hierop vermelde informatie is verwerkt in het loon-controlerapport 24 september 2002 dat aan eiseres in het kader van de bezwaarschriftprocedure ter inzage is verstrekt. Anders dan eiseres meent, is van strijd met artikel 7:4 van Pro de Awb derhalve geen sprake. Dit geldt evenzeer de fiscale rapportage. De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan verweerder in dit geval gehouden was tot verstrekking van de gegevens van de Belastingdienst.
De grief van eiseres dat zij niet op de hoogte was van de verplichting om ook de achterzijde van identiteitsbewijzen te kopiëren en te bewaren, slaagt evenmin. De rechtbank overweegt dienaangaande dat de op de achterzijde van een identiteitsbewijs, niet zijnde een paspoort, vermelde gegevens, zoals handtekening, geldigheidsduur en verblijfstatus, van evident belang zijn voor het vaststellen van de identiteit van een werknemer. Indien dergelijke cruciale gegevens niet zijn vastgelegd in de loonadministratie zoals de WID voorschrijft, wordt een sluitende verificatie van de identiteit van de werknemer door een bestuursorgaan als verweerder onmogelijk gemaakt, hetgeen strijd oplevert met de hier van toepassing zijnde artikelen 89 en 90 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 (Osv 1997). Een kopie dient derhalve alle van belang zijnde gegevens van voor- zowel als achterzijde van het document, te bevatten. Met deze vaststelling, dat de onderhavige verplichting voortvloeit uit de wet, kan de rechtbank voorbijgaan aan hetgeen eiseres ter zitting heeft gesteld, dat het Handboek voor de loonbelasting deze verplichting pas in 2004 heeft geëxpliciteerd. Verweerder heeft derhalve terzake van het hier aan de orde zijnde, in zesentwintig gevallen geconstateerde gebrek, terecht het anoniementarief toegepast.
Eiseres betwist tevens de op de toepassing van het anoniementarief gebaseerde premienaheffing op de grond dat zij redelijkerwijs niet kon weten dat de documenten vervalst waren. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. De rechtbank wijst er allereerst op dat zeker van een werkgever als eiseres, die werkzaam is in de uitzendbranche en aan veel buitenlandse arbeidskrachten emplooi biedt, mag worden verwacht dat zij de uit artikel 90, derde lid, van de Osv 1997 voortvloeiende verificatieverplichting nauwgezet naleeft. De rechtbank stelt vast dat eiseres, ondanks het feit dat zij bij het bedrijfsbezoek door verweerder in november 2001 uitdrukkelijk is gewezen op de WIDverplichtingen, gelet op de veelheid aan vastgestelde gebreken in de registratie van de desbetreffende identiteitsdocumenten, daarin ernstig is tekortgeschoten. Gevoegd bij de veroordeling van eiseres door de economische politierechter wegens het zonder vergunning tewerk-stellen van vreemdelingen en de rapportage van de Arbeidsinspectie waaruit de rechtbank afleidt, dat eiseres het minstgenomen niet zo nauw nam met de WIDvoorschriften, is het betoog van eiseres, dat zij niet kon weten met vervalste identiteitsdocumenten van doen te hebben, voor de rechtbank niet aannemelijk geworden.
De stelling van eiseres ten slotte dat indien werknemers beschikken over een door de Belastingdienst verstrekt sofi-nummer, zij ervan mag uitgaan dat aan de criteria van artikel 1 van Pro de WID is voldaan, vindt geen steun in het recht. De rechtbank wijst in dat verband op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 1999, gepubliceerd in BNB 2000/93. Met betrekking tot de overige beroepsgronden van eiseres onderschrijft de rechtbank hetgeen verweerder terzake in het bestreden besluit, het verweerschrift en ter zitting heeft opgemerkt. Samengevat is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij de premienaheffing over de jaren 2000 en 2001 bevoegdelijk toepassing heeft gegeven aan het anoniementarief van artikel 26b van de Wet op de loonbelasting 1964.
Wat betreft de boeteoplegging heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat zij terzake van dezelfde gedraging door zowel verweerder als het Openbaar Ministerie is aangepakt. Eiseres meent dat de door het Openbaar Ministerie uitgebrachte dagvaarding en de boetenota’s van verweerder op hetzelfde feitencomplex zijn gebaseerd en er dus ingevolge artikel 12c van de CwSV geen ruimte meer is voor boeteoplegging. De rechtbank overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 12c, eerste lid, van de CwSV wordt een boete niet opgelegd zolang de gedraging wordt onderzocht door het Openbaar Ministerie.
Het tweede lid van artikel 12c CwSV bepaalt voor zover hier van belang dat de oplegging van een boete definitief achterwege blijft indien terzake van de gedraging tegen de werkgever een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen.
Vaststaat dat aan eiseres in de jegens haar uitgebrachte dagvaarding onder 1. overtreding van artikel 2, lid 1, van de Wav, onder 2. overtreding van artikel 197b Sr (het laten verrichten van arbeid door een ongewenste vreemdeling) en onder 3. overtreding van artikel 225, eerste lid, Sr (valsheid in geschrifte), alles gepleegd in de periode van 1 januari 2002 tot en met 9 april 2002, tenlaste is gelegd.
Ook in de strafzaak voor de economische politierechter heeft eiseres aangevoerd dat zij vervolgd wordt terzake van hetzelfde feit als waarvoor door verweerder boeten zijn opgelegd. De economische politierechter heeft ten aanzien van de door eiseres gevorderde niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie het volgende oordeel uitgesproken:
“Dit verweer wordt verworpen. Uit het dossier blijkt dat de betreffende boete is opgelegd naar aanleiding van gesteld door verdachte gepleegd handelen in strijd met artikel 10 CSV Pro in het kalenderjaar 2000. Het onder 3 telastgelegd feit betreft echter valsheid in geschrift welke zou zijn gepleegd in de periode 1 januari 2002 tot en met 9 april 2002. Reeds hieruit blijkt dat de vervolging voor laatstbedoeld feit niet hetzelfde feit betreft als die waarvoor het UWV een boete heeft opgelegd."
De rechtbank ziet geen aanleiding om in de spiegelbeeldige situatie als hier aan de orde tot een ander oordeel te komen dan de economische politie-rechter in zijn strafvonnis heeft uitgesproken. Het begrip gedraging van artikel 12c CwSV is weliswaar ruimer van strekking dan het begrip feit waarvan de politierechter bij zijn oordeelsvorming is uitgegaan, doch dat leidt hier niet tot een andere uitkomst.
De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiseres door het Openbaar Ministerie onder meer is vervolgd terzake van de strafrechtelijke gedraging van valsheid in geschrifte als bedoeld in artikel 225, eerste lid, Sr, waarvan de juridische strekking niet op één lijn is te stellen met die van schending van de loonopgaveverplichting van artikel 10 CwSV Pro op grond waarvan boeteoplegging ingevolge artikel 12, tweede lid, van de CwSV heeft plaatsgevonden. Bovendien betrof de strafrechtelijke vervolging een ander tijdvak, zodat niet kan blijken van een verband met betrekking tot de gelijktijdigheid van de gedragingen.
Verweerder was derhalve niet op grond van artikel 12c CwSV gehouden van boeteoplegging af te zien. Boeteoplegging heeft op goede gronden en naar een niet onevenredige maatstaf plaatsgevonden. Dat eiseres een startende ondernemer is maakt dit niet anders.
Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Rechtbank 's-Gravenhage,
RECHT DOENDE:
verklaart het beroep ongegrond.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Aldus gegeven door mr. E.R. Eggeraat en in het openbaar uitgesproken op
7 juli 2004 in tegenwoordigheid van F.P. Krijnen als griffier.
Voor eensluidend afschrift,
de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,
Verzonden op: