ECLI:NL:RBSGR:2004:AQ7388
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontvankelijkheid bezwaar en beroep inzake tewerkstellingsvergunning vreemdeling
Eiseres sub 1, de werkgeefster, heeft een tewerkstellingsvergunning aangevraagd voor eiseres sub 2, de werkneemster, welke door verweerder is afgewezen bij besluit van 17 januari 2003. De werkneemster heeft een bezwaarschrift ingediend, dat door verweerder niet-ontvankelijk werd verklaard. De werkgeefster stelde dat zij mede bezwaar had gemaakt en dat haar beroep ontvankelijk moest worden verklaard vanwege de destijds geldende praktijk.
De rechtbank oordeelde dat het bezwaarschrift uitsluitend door de werkneemster was ingediend en dat de werkgeefster geen tijdig en geldig bezwaarschrift had ingediend conform de Awb. De stelling dat de werkgeefster het bezwaar steunde en haar aanwezigheid bij de hoorzitting konden dit niet veranderen. Ook het feit dat de werkgeefster in de bezwaarfase was gehoord, leidde niet tot het oordeel dat zij een bezwaarschrift had ingediend.
Hoewel artikel 6:13 Awb Pro normaal gesproken het beroep van de werkgeefster zou blokkeren omdat zij geen bezwaar had gemaakt, werd dit gezien de destijds geldende praktijk niet tegen haar gebruikt. Desalniettemin kon in dit geval alleen worden beoordeeld of het bezwaar van de werkneemster terecht niet-ontvankelijk was verklaard, hetgeen werd bevestigd. Daarom werden de beroepen van beide eiseressen ongegrond verklaard.
De rechtbank zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van zowel de werkgeefster als de werkneemster wordt ongegrond verklaard omdat het bezwaar van de werkneemster terecht niet-ontvankelijk is verklaard en de werkgeefster geen bezwaar heeft ingediend.