ECLI:NL:RBSGR:2004:AQ7976
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- E.H.B.M. Potters
- Rechtspraak.nl
Bewaring vreemdeling gegrond ondanks medische situatie en voortgang uitzetting
De vreemdeling is op 28 april 2004 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eerdere beroepen tot opheffing van de bewaring zijn door de rechtbank ongegrond verklaard. De vreemdeling is opgenomen in het ziekenhuis van de Penitentiaire Inrichting Scheveningen, waarop zijn gemachtigde stelde dat op grond van artikel 64 van Pro de Vw 2000 rechtmatig verblijf zou bestaan en bewaring niet mogelijk is.
De rechtbank overweegt dat er geen besluit is genomen door de Immigratie- en Naturalisatiedienst over toepassing van artikel 64 Vw Pro 2000, omdat uitzetting nog niet op een concrete datum aan de orde is. Hierdoor is er geen sprake van rechtmatig verblijf op medische gronden als bedoeld in artikel 8j Vw 2000. De rechtbank concludeert dat het beroep faalt.
Verder blijkt uit de stukken dat de aanvraag voor een laissez-passer voor Egypte is ingediend en in behandeling is, en dat de vreemdeling op 1 juni 2004 is gepresenteerd bij de Egyptische autoriteiten. De rechtbank oordeelt dat er voldoende zicht is op uitzetting en dat de voortzetting van de bewaring niet in strijd is met de wet of onredelijk is.
Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen omdat de bewaring niet is opgeheven. De rechtbank wijst het beroep af en verklaart het verzoek om schadevergoeding ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.