ECLI:NL:RBSGR:2004:AR2228
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering tewerkstellingsvergunning voor seizoen wildverwerking
Verzoekster, Johan van Leendert B.V., diende een aanvraag in voor tewerkstellingsvergunningen voor zestien vreemdelingen voor het seizoen september 2004 tot januari 2005. Verweerder, de Raad van bestuur van de Centrale organisatie werk en inkomen, wees de aanvraag af op grond van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), met name vanwege onvoldoende inspanningen om prioriteitgenietend aanbod te mobiliseren en niet-marktconforme arbeidsvoorwaarden.
Verzoekster diende op 25 augustus 2004 een verzoek om voorlopige voorziening in, dat voortijdig was omdat nog geen bezwaar was ingediend. Een tweede verzoek om voorlopige voorziening, ingediend vlak voor de zitting en connex aan het bezwaarschrift van 6 september 2004, werd ontvankelijk verklaard. De voorzieningenrechter oordeelde dat het primaire verzoek niet ontvankelijk was en het subsidiaire verzoek niet toewijsbaar, omdat geen sterke twijfel bestond over de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
De rechtbank stelde vast dat verzoekster onvoldoende inzicht had gegeven in de sollicitatieprocedure en dat de geboden arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden niet marktconform waren, mede vanwege een lager salaris en langere werktijden dan gebruikelijk in de vleessector. Verzoekster slaagde er niet in de eerdere uitspraak van mei 2004 te weerleggen, waarin een vergelijkbare aanvraag was afgewezen.
De voorzieningenrechter concludeerde dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat verzoekster onvoldoende wervingsinspanningen had verricht. Gezien de bedrijfsvoering waarbij extra goed opgeleid personeel nodig is, is het belang van juiste werving en beschikbaarheid van personeel groot. Er was geen aanleiding voor een voorlopige voorziening of proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak was geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen wegens onvoldoende wervingsinspanningen en niet-marktconforme arbeidsvoorwaarden.