ECLI:NL:RBSGR:2004:AR2416
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtmatigheid en duur vreemdelingenbewaring in Uitzetcentrum Rotterdam
De vreemdeling, geboren in 1975 en afkomstig uit Sierra Leone, werd op 19 april 2004 in bewaring gesteld in het Uitzetcentrum Rotterdam. Na eerdere uitspraak waarbij het beroep op opheffing van bewaring ongegrond werd verklaard, werd de voortzetting van de bewaring aangevochten vanwege de duur en de omstandigheden in het uitzetcentrum.
De rechtbank overwoog dat hoewel de maatregel van vreemdelingenbewaring in het uitzetcentrum voor een langere duur dan 28 dagen in beginsel geoorloofd is, het uitzetcentrum primair bedoeld is voor vreemdelingen die op korte termijn uitzetbaar zijn. Het regime en de voorzieningen in het uitzetcentrum verschillen wezenlijk van die in een huis van bewaring, onder meer op het gebied van medische zorg, daglichttoetreding en sociale voorzieningen.
Verweerder had verbeteringen aangebracht in het uitzetcentrum, maar de rechtbank stelde vast dat niet alle bezwaren waren weggenomen, met name het ontbreken van directe daglichttoetreding in de verblijfsruimte. Daarnaast voerde verweerder geen specifiek beleid omtrent de duur van bewaring in het uitzetcentrum en werd de vreemdeling reeds twee maanden vastgehouden, wat de rechtbank onrechtmatig achtte.
De rechtbank concludeerde dat de voortzetting van de bewaring zelf niet onrechtmatig was, mede gezien de inspanningen tot uitzetting en het feit dat de vreemdeling zijn uitzetting frustreerde door het opgeven van een valse nationaliteit. Echter, de wijze van tenuitvoerlegging in het uitzetcentrum werd als onrechtmatig beoordeeld bij de huidige duur en omstandigheden. Daarom werd de overbrenging naar een huis van bewaring binnen veertien dagen bevolen. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen, maar verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank beveelt overbrenging van de vreemdeling binnen veertien dagen naar een huis van bewaring vanwege onrechtmatigheid van de voortzetting van bewaring in het uitzetcentrum.