ECLI:NL:RBSGR:2004:AR2438
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid bewaring vreemdeling op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000
De vreemdeling, met Marokkaanse nationaliteit, werd op 6 juli 2004 in bewaring gesteld nadat zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning zonder vereiste machtiging tot voorlopig verblijf was afgewezen. De rechtbank oordeelde dat de maatregel van ophouding en de daaropvolgende bewaring op rechtmatige wijze waren toegepast conform artikel 50 en Pro 59 van de Vreemdelingenwet 2000.
De rechtbank behandelde diverse grieven van de vreemdeling, waaronder de stelling dat voorafgaand aan de ophouding een staandehouding had moeten plaatsvinden, het recht op bijstand van een advocaat naar keuze was geschonden, en dat de bewaring niet gerechtvaardigd was vanwege vermeende misleiding bij het verzetten van een afspraak. Deze grieven werden verworpen omdat de identiteit en verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling vaststonden, de mededeling over het recht op advocaat tijdig was gedaan en misleiding bij het verzetten van een afspraak de rechtmatigheid van de bewaring niet raakt.
Ook werd ingegaan op de interpretatie van artikel 59, tweede lid, Vw 2000, waarbij de rechtbank concludeerde dat deze bepaling een aparte categorie van gevallen schept waarin bewaring mogelijk is, naast de categorieën genoemd in het eerste lid. De rechtbank verwierp het beroep op het gelijkheidsbeginsel omdat onvoldoende aannemelijk was dat de vreemdeling zich in dezelfde situatie bevond als andere vreemdelingen die niet in bewaring waren gesteld.
Ten slotte oordeelde de rechtbank dat de beslissing op de aanvraag verblijfsvergunning buiten dit geding valt en dat de bewaring niet in strijd is met de wet of onredelijk is. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.