ECLI:NL:RBSGR:2004:AR2585
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging afwijzing verblijfsvergunning wegens gegronde vrees voor vervolging
Eisers, een Iraans echtpaar, vroegen asiel aan in Nederland wegens chantage en vervolgingsgevaar door leden van de Sepah Pasderan in Iran. Verweerder wees hun aanvraag af met het oordeel dat het asielrelaas niet geloofwaardig was. De rechtbank oordeelt echter dat verweerder onvoldoende gemotiveerd heeft waarom het asielrelaas niet aannemelijk zou zijn, mede gelet op een eerdere uitspraak waarin het relaas als geloofwaardig werd aangemerkt.
De rechtbank benadrukt dat het bestuursorgaan bij het ontbreken van hoger beroep tegen een eerdere uitspraak moet uitgaan van de juistheid van dat oordeel, en dat het opnieuw beoordelen van deze feiten het gezag van de rechterlijke uitspraak miskent. De rechtbank stelt vast dat de vrees voor vervolging gegrond is en dat de bestreden besluiten daarom onvoldoende zijn gemotiveerd en in strijd zijn met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
De beroepen worden gegrond verklaard, de besluiten vernietigd en verweerder wordt veroordeeld tot het nemen van nieuwe besluiten en het betalen van proceskosten. Partijen wordt de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geboden.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de verblijfsvergunning en verklaart het beroep gegrond.