ECLI:NL:RBSGR:2004:AR2802

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
27 september 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
09/753189-04 (ontneming)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • Elkerbout
  • Sentrop
  • Van Maurik
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 36e Sr
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel door handelen in cocaïne en heroïne

Veroordeelde is bij vonnis veroordeeld voor het opzettelijk handelen in strijd met het verbod van artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet, door gedurende negen weken cocaïne en heroïne te verhandelen.

De officier van justitie vorderde ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, gebaseerd op een rapport waarin het voordeel werd berekend op €7.955,- over een periode van 26 weken. Veroordeelde erkende een voordeel van circa €3.000,- over de negen weken dat hij daadwerkelijk handelde.

De rechtbank stelde vast dat het voordeel kan worden geschat op €3.000,- en legde veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen. De beslissing is genomen op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

De zitting vond plaats op 13 september 2004, waarbij veroordeelde werd gehoord en bijgestaan door zijn raadsman. De uitspraak volgde op 27 september 2004 door de meervoudige kamer van de rechtbank 's-Gravenhage.

Uitkomst: Veroordeelde is verplicht tot betaling van €3.000 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
SECTOR STRAFRECHT
MEERVOUDIGE KAMER
(BESLISSING EX ARTIKEL 36e SR)
parketnummer 09/753189-04
rolnummer 0002
's-Gravenhage, 27 september 2004.
Beslissing van de rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
adres: [adres]
De vordering.
De vordering strekt er toe dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vierde lid, van het
Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van [euro] 7.955,00.
Het onderzoek ter zitting.
Ter terechtzitting van 13 september 2004 heeft de officier van justitie bij de vordering gepersisteerd.
De veroordeelde, bijgestaan door de raadsman mr R. van den Boogert, advocaat te Schiedam, is verschenen en op de vordering gehoord.
Beoordeling van de vordering.
De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 27 september 2004, voor zover van belang, veroordeeld terzake van het strafbare feit:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
In deze zaak is een onderzoek ingesteld. Dit heeft geresulteerd in het rapport Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van [verdachte] van 26 augustus 2004. De conclusie van dit rapport is, dat het door veroordeelde in een periode van 26 weken wederrechtelijk verkregen voordeel [euro] 7.955,00 bedraagt.
Op grond van het onderzoek ter zitting is de rechtbank van oordeel dat de veroordeelde door middel van hiervoor genoemd strafbaar feit wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
De bewijsmiddelen.
De rechtbank grondt haar oordeel op de volgende bewijsmiddelen:
P.M.
Motivering van de op te leggen maatregel.
De rechtbank neemt als grondslag van de vordering in aanmerking het in de strafzaak onder parketnummer 09/753189-04 tegen de veroordeelde bewezen verklaarde feit.
Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank het navolgende af.
Veroordeelde heeft in de periode van 1 april 2004 tot en met 3 juni 2004 (9 weken) gehandeld in cocaïne en heroïne. Veroordeelde heeft verklaard hierdoor een voordeel van
[euro] 3.000,- wederrechtelijk te hebben verkregen. Dit bedrag komt bij benadering overeen met de in het rapport gemaakte berekening van het voordeel, waarbij ervan is uitgegaan dat verdachte gedurende 26 weken heeft gehandeld.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat op [euro] 3.000,-.
De rechtbank zal de veroordeelde de verplichting opleggen tot betaling van [euro] 3.000,- aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De toepasselijke wetsartikelen.
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Beslissing.
De rechtbank,
stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op [euro] 3.000,-;
legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van [euro] 3.000,- aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Deze beslissing is genomen door
mrs Elkerbout, voorzitter,
Sentrop en Van Maurik, rechters,
in tegenwoordigheid van mr Brekelmans, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 september 2004.