ECLI:NL:RBSGR:2004:AR3093
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning wegens betrokkenheid bij mensenrechtenschendingen en onvoldoende toetsing EVRM
Eiser, een Afghaanse asielzoeker, had een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd die werd ingetrokken op grond van onjuiste of achtergehouden gegevens over zijn werkzaamheden voor de DVPA en de KhAD. Verweerder stelde dat eiser ernstige mensenrechtenschendingen had gefaciliteerd, wat de intrekking rechtvaardigde op basis van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht aannam dat eiser persoonlijk en bewust betrokken was bij misdrijven, mede gebaseerd op een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken en de persoonlijke verklaringen van eiser. De rechtbank verwierp eisers betwisting van zijn betrokkenheid en zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel.
Echter, de rechtbank stelde vast dat het bestreden besluit niet voldeed aan de vereiste zorgvuldigheid omdat niet voldoende was onderzocht of uitzetting van eiser zou leiden tot een schending van artikel 3 EVRM Pro. De enkele stelling van verweerder dat artikel 3 EVRM Pro zich tegen uitzetting verzet, was onvoldoende. Daarom werd het beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd.
De rechtbank veroordeelde de verweerder tevens tot betaling van proceskosten aan eiser. Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning wordt vernietigd wegens onvoldoende toetsing aan artikel 3 EVRM.