ECLI:NL:RBSGR:2004:AR4401
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen buitenbehandelingstelling aanvraag verblijfsvergunning wegens niet-betaling leges
Eiseres diende op 1 oktober 2003 een aanvraag in voor verlenging van haar verblijfsvergunning. Verweerder stelde deze aanvraag buiten behandeling omdat eiseres de verschuldigde leges niet had betaald. Eiseres ontving een factuur en een herinnering, maar betaalde niet vanwege onvoldoende saldo en ontving de herinnering niet. Verweerder beriep zich op artikel 24, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), dat voorschrijft dat bij niet-betaling van leges de aanvraag niet in behandeling wordt genomen.
De rechtbank onderzocht of artikel 4:5 Awb Pro, dat een termijn van vier weken voorschrijft voor het buiten behandeling stellen van een aanvraag, ook van toepassing is in deze situatie. Geconcludeerd werd dat artikel 24, tweede lid, Vw 2000 een bijzondere wettelijke bepaling is die prevaleert, maar dat deze bepaling geen uitzondering vormt op het vierde lid van artikel 4:5 Awb Pro. Verweerder had de aanvraag binnen vier weken buiten behandeling moeten stellen, wat niet was gebeurd.
De rechtbank oordeelde dat verweerder in strijd met het wettelijke voorschrift heeft gehandeld door de aanvraag pas op 13 februari 2004 buiten behandeling te stellen. Het beroep werd gegrond verklaard, het besluit vernietigd en verweerder werd opgedragen een nieuw besluit te nemen binnen zes weken. Verweerder werd tevens veroordeeld in de proceskosten. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit tot buitenbehandelingstelling wordt vernietigd en verweerder moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen.