ECLI:NL:RBSGR:2004:AR4578
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- L. van Es
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen onrechtmatige bewaring wegens gebrek aan uitzicht op uitzetting binnen redelijke termijn
Eiser werd op 18 augustus 2004 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000. De aanvraag voor een laissez-passer bij de Marokkaanse autoriteiten liep al meer dan een jaar, zonder dat er zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn. Eiser had eerder al twee keer in bewaring gezeten en werkte mee aan het onderzoek naar zijn identiteit.
Verweerder stelde dat de bewaring rechtmatig was en dat er zicht was op uitzetting, onderbouwd met gegevens over de afgifte van laissez-passers door Marokkaanse autoriteiten, ook na langere perioden. De rechtbank oordeelde echter dat de verstrekte informatie onvoldoende aanknopingspunten bood om te concluderen dat na meer dan een jaar nog een laissez-passer zou worden verstrekt.
Daarom werd de vrijheidsontnemende maatregel als onrechtmatig beoordeeld. De rechtbank kende eiser een schadevergoeding toe van € 95 per dag dat hij ten onrechte in bewaring was, in totaal € 855, en veroordeelde de Staat tot betaling van de proceskosten van € 644.
De uitspraak werd gedaan op 24 september 2004 door de enkelvoudige kamer van de rechtbank 's-Gravenhage.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en eiser krijgt een schadevergoeding en proceskosten toegekend wegens onrechtmatige bewaring.