ECLI:NL:RBSGR:2004:AR5223
Rechtbank 's-Gravenhage
- Raadkamer
- De Boer
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van bezwaarschrift tegen tenuitvoerlegging vervangende hechtenis na niet-uitvoering taakstraf
De veroordeelde kreeg op 21 januari 2004 een taakstraf van 60 uur opgelegd, met de bepaling dat bij niet-aanvang of niet-naleving vervangende hechtenis van 30 dagen zou volgen. Het Openbaar Ministerie besloot tot tenuitvoerlegging van deze vervangende hechtenis omdat de veroordeelde niet met de taakstraf was begonnen. Deze beslissing werd op 17 juli 2004 aan de veroordeelde betekend.
De veroordeelde diende binnen de wettelijke termijn een bezwaarschrift in tegen deze kennisgeving, met het verzoek de hechtenis niet uit te voeren of een tweede kans te geven om de taakstraf alsnog te voltooien. De zaak werd behandeld in raadkamer op 14 oktober 2004, waarbij de veroordeelde niet aanwezig was, maar zijn raadsman wel.
De raadsman voerde aan dat de beslissing tot tenuitvoerlegging niet door de officier van justitie zelf was genomen en dat een ondertekende beslissing ontbrak. De rechtbank oordeelde echter dat de officier van justitie wel degelijk zelf de beslissing had genomen, zoals blijkt uit een ondertekend bericht aan het CJIB. De kennisgeving aan de veroordeelde via het CJIB voldeed aan de wettelijke eisen.
Verder bleek uit het dossier en de zitting dat het niet uitvoeren van de taakstraf volledig aan de veroordeelde zelf te wijten was. Daarom verklaarde de rechtbank het bezwaarschrift ongegrond. De beslissing werd uitgesproken door vice-president De Boer op 29 oktober 2004.
Uitkomst: Het bezwaarschrift tegen de tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis wordt ongegrond verklaard.