ECLI:NL:RBSGR:2004:AR6147

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
19 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
09/072138-04
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • Poustochkine
  • Bosma
  • Beudeker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 SrArt. 24 SrArt. 24c SrArt. 5 Wegenverkeerswet 1994Art. 177 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling trambestuurder voor verkeersdodelijk ongeval door onvoldoende oplettendheid

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op 19 november 2004 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een trambestuurder die betrokken was bij een dodelijk verkeersongeval. Verdachte reed met zijn tram zonder voldoende acht te slaan op het overige verkeer en het verkeerslicht, waardoor hij een fietser raakte die aan zijn verwondingen is overleden.

De rechtbank sprak verdachte vrij van de primair ten laste gelegde feiten, omdat niet wettig en overtuigend bewezen kon worden dat hij aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend had gehandeld. Wel werd subsidiair bewezen verklaard dat verdachte het verkeersvoorschrift uit artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 had overtreden.

Gezien de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het plaatsvond en de persoonlijke situatie van verdachte, die niet eerder voor soortgelijke feiten was veroordeeld, legde de rechtbank een geldboete van € 750,- op. Bij niet-betaling zou deze boete worden vervangen door 16 dagen hechtenis.

De uitspraak benadrukt het leed dat het overlijden van de fietser heeft veroorzaakt bij diens familie en omgeving. De rechtbank achtte een geldboete passend en hield rekening met de draagkracht van verdachte bij het bepalen van de straf.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een geldboete van € 750,- wegens overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
SECTOR STRAFRECHT
MEERVOUDIGE KAMER
(VERKORT VONNIS)
parketnummer 09/072138-04
rolnummer 0004
's-Gravenhage, 19 november 2004
De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
adres: [adres].
De terechtzitting.
Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 5 november 2004.
De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr J. Schep, advocaat te Apeldoorn, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.
De officier van justitie mr A.J.M. Paulus heeft gevorderd dat verdachte terzake van hetgeen hem bij dagvaarding primair telastgelegde wordt veroordeeld tot een geldboete van € 1000,-, subsidiair 20 dagen hechtenis.
De telastlegging.
Aan de verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.
Vrijspraak.
De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij dagvaarding primair is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken. De rechtbank is van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden niet kan worden gezegd dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en of aanmerkelijk onoplettend heeft gehandeld.
De bewijsmiddelen.
P.M.
De bewezenverklaring.
Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte het op de dagvaarding subsidiair telastgelegde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.
De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.
Strafmotivering.
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte is met zijn tram gaan rijden zonder daarbij voldoende acht te slaan op het overige verkeer en op het verkeerslicht. Door deze handelwijze is hij tegen een fietser gebotst. Deze fietser is tengevolge van zijn letstel komen te overlijden. Hierdoor is veel leed en een blijvende leegte bij diens familie en directe omgeving ontstaan.
Blijkens een op naam van verdachte staand uittreksel uit het Algemeen documentatieregister is verdachte in het verleden niet eerder veroordeeld voor een dergelijk gedurende de uitoefening van zijn functie als trambestuurder gepleegd feit.
Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank een geldboete passend en geboden.
Bij de vaststelling van deze vermogensstraf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.
De toepasselijke wetsartikelen.
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 23, 24, 24c van het Wetboek van Strafrecht;
- 5, 177 van de Wegenverkeerswet 1994.
Beslissing.
De rechtbank,
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding primair telastgelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding subsidiair telastgelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
Overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een geldboete van € 750,-;
bepaalt dat de geldboete bij gebreke van betaling en verhaal zal worden vervangen
door hechtenis voor de tijd van 16 dagen;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door
mrs Poustochkine, voorzitter,
Bosma en Beudeker, rechters,
in tegenwoordigheid van mr Meijers, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 november 2004.