ECLI:NL:RBSGR:2004:AR6447

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
25 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
09/754132-02
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • Timmermans
  • Bosma
  • Van de Kar
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorbereidingshandelingen tot het bereiden van XTC en trachten verschaffen van PMK

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op 25 november 2004 uitspraak gedaan in een zaak tegen verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen met betrekking tot de productie van harddrugs, met name XTC. Verdachte trachtte een ander middelen, te weten PMK, te verschaffen die nodig zijn voor de vervaardiging van XTC. Dit gebeurde in de periode van 4 oktober 2002 tot en met 11 november 2002, waarbij verdachte contact had met een medeverdachte en anderen, onderhandelingen voerde, afspraken maakte en een monster verkreeg.

De rechtbank oordeelde dat het ontvangen van een monster van een onbekende stof nog geen strafbare poging opleverde, waardoor verdachte voor dat feit werd ontslagen van alle rechtsvervolging. Voor het voorbereiden en bevorderen van het vervaardigen van XTC werd verdachte wel strafbaar verklaard. De rechtbank benadrukte de schadelijke effecten van XTC op de volksgezondheid, waaronder blijvende schade aan het centrale zenuwstelsel en verhoogd risico op psychiatrische stoornissen, evenals de maatschappelijke risico's zoals milieuschade en ontploffingsgevaar.

De rechtbank legde een taakstraf op van 180 uur onbetaalde arbeid, met vervangende hechtenis van 90 dagen bij niet-naleving, en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden met een proeftijd van 2 jaar. De straf houdt rekening met het feit dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. De straf is bedoeld om herhaling te voorkomen en de ernst van het feit te onderstrepen.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden wegens voorbereidingshandelingen tot het bereiden van XTC door te trachten PMK te verschaffen.

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
SECTOR STRAFRECHT
MEERVOUDIGE KAMER
(VERKORT VONNIS)
parketnummer 09/754132-02
rolnummer 0003
's-Gravenhage, 25 november 2004
De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
adres: [adres].
De terechtzitting.
Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 11 november 2004.
De verdachte is ter terechtzitting verschenen en gehoord.
De officier van justitie mr G.P.N. Robben heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1 en 2 telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
De telastlegging.
Aan de verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.
Ontslag van alle rechtsvervolging.
Ten aanzien van feit 2 overweegt de rechtbank dat de bewezenverklaarde feitelijke handeling, te weten het in ontvangst nemen van een monster van een (onbekende) stof nog geen begin van uitvoering van het telastgelegde misdrijf oplevert, zodat geen sprake is van een strafbare poging in de zin van artikel 45 Wetboek Pro van Strafrecht.
Het telastgelegde feit voorzover bewezen levert derhalve geen strafbaar feit op, zodat verdachte ten aanzien van dit feit dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
De bewijsmiddelen.
P.M.
De bewezenverklaring.
Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte het op de dagvaarding onder 1 telastgelegde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.
De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.
Strafmotivering.
Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich in de periode van 4 oktober 2002 tot en met 11 november 2002 schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen met betrekking tot het bereiden van harddrugs, te weten XTC, door te trachten een ander middelen, te weten PMK, tot het plegen van een feit, bedoeld in het derde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te verschaffen. Daartoe heeft verdachte contact onderhouden en onderhandelingen gevoerd met een man genaamd [medeverdachte] en anderen over de levering van een hoeveelheid PMK, afspraken met die [medeverdachte] en anderen gemaakt, één of meer ontmoetingen met die [medeverdachte] en anderen gehad en, met het oog op de levering van een hoeveelheid PMK, één monster verkregen.
Door zijn handelen heeft verdachte een bijdrage geleverd aan de instandhouding van de illegale productie van XTC en allerhande andere criminele activiteiten die daarmee samenhangen, zulks terwijl het gebruik van synthetische drugs zeer schadelijk is voor de volksgezondheid. De rechtbank wijst er in dit verband op dat uit medisch onderzoek naar de klinische en toxicologische aspecten van XTC-gebruik is gebleken dat inname van de in XTC-tabletten voorkomende stof MDMA tot afbraak van serotine leidt, welke juist een belangrijke rol in het centrale zenuwstelsel speelt voor de regulering van diverse lichaamsfuncties. Deze schade is blijvend. Voorts is op grond van onderzoek geconcludeerd dat gebruik van XTC een bijzonder groot risico op psychiatrische stoornissen met zich brengt. Tevens geldt dat al dan niet opzettelijke toevoeging van schadelijke stoffen aan XTC-tabletten eveneens onomkeerbare schade aan het menselijk lichaam kan toebrengen.
Voorts geldt dat de productie van XTC-tabletten risico's voor de samenleving met zich brengt. De rechtbank wijst daarbij op de schade aan het milieu, welke door vele na onderzoek vastgestelde dumpingen van bij de productie van XTC-tabletten vrijkomende chemische afvalstoffen in riool of elders wordt veroorzaakt. Tevens is de kans op ontploffingsgevaar bij de productie van XTC-tabletten aanwezig, welk gevaar zich in het bijzonder doet gelden bij in woonwijken voorkomende laboratoria.
De rechtbank houdt voorts rekening met het feit dat verdachte - blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 10 november 2004 - niet eerder wegens soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.
Gezien het vorenstaande acht de rechtbank een werkstraf alsmede een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. De voorwaardelijke gevangenisstraf dient als stok achter de deur teneinde verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst wederom aan een soortgelijk strafbaar feit schuldig te maken.
De toepasselijke wetsartikelen.
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
- 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht;
- 2 (oud), 10 en 10a van de Opiumwet.
Beslissing.
De rechtbank,
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding onder 2 telastgelegde feit heeft begaan, maar verklaart het bewezenverklaarde niet strafbaar;
verklaart dat de verdachte ten aanzien van feit 2 wordt ontslagen van alle rechtsvervolging;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding onder 1 telastgelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
een feit, bedoeld in het derde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voorbereiden en bevorderen, door een ander middelen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 180 uren;
beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 90 dagen;
bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag, zodat 176 uren resteren;
beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 88 dagen;
in verzekering gesteld op : 25 juni 2003,
in vrijheid gesteld op : 27 juni 2004,
en voorts:
een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;
bepaalt, dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de verdachte zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit:
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door
mrs Timmermans, voorzitter,
Bosma en Van de Kar, rechters,
in tegenwoordigheid van mr Maat, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 november 2004.
Mr Van de Kar is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.