ECLI:NL:RBSGR:2004:AR6867
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid maatregel van bewaring vreemdeling wegens gebruik vervalst paspoort
De vreemdeling, met Moldavische nationaliteit, werd in bewaring gesteld wegens het gebruik van een vervalst paspoort en het vermoeden van illegaal verblijf. De maatregel van bewaring werd opgelegd op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
De gemachtigde van de vreemdeling stelde dat het afschrift van de maatregel niet onmiddellijk was uitgereikt, zoals vereist volgens artikel 5.3, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), en dat dit de bewaring onrechtmatig maakte. De rechtbank stelde vast dat het niet aannemelijk was dat het bevel onmiddellijk was uitgereikt, maar dat dit verzuim niet leidde tot onrechtmatigheid omdat het voorschrift geen sancties verbindt en de belangen van de vreemdeling niet waren geschaad.
De rechtbank verwierp ook het beroep op artikel 3:40 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) over de werking van besluiten en oordeelde dat de specifieke regeling in de Vw 2000 voorrang heeft. Gezien de omstandigheden, waaronder het ontbreken van een geldig identiteitsbewijs en het ernstige vermoeden van ontduiking van uitzetting, werd de bewaring als gerechtvaardigd beoordeeld.
Het beroep werd ongegrond verklaard, het verzoek om schadevergoeding afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.