ECLI:NL:RBSGR:2004:AR7201
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdverklaring voorzieningenrechter inzake verzoek voorlopige voorziening tegen uitzetting
Verzoeker, van Sudanese nationaliteit, had een aanvraag voor een verblijfsvergunning ingediend die door verweerder werd afgewezen. Na een ongegrond verklaard bezwaar stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank, die het beroep gegrond verklaarde en verweerder opdroeg opnieuw te beslissen op het bezwaar. Verzoeker vroeg vervolgens om een voorlopige voorziening die een uitzetting zou verbieden totdat op het bezwaar opnieuw was beslist.
Tijdens de zitting bleek dat verweerder hoger beroep had ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Op grond van artikel 8:81 Awb Pro juncto artikel 36 Wet Pro RvS kan in deze situatie het verzoek tot voorlopige voorziening worden gericht aan de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het systeem staat niet toe dat gelijktijdig bij de rechtbank en de Afdeling voorlopige voorzieningen worden gevraagd en verkregen.
De voorzieningenrechter verklaarde zich daarom onbevoegd om op het verzoek te beslissen en zond het verzoek door aan de Afdeling bestuursrechtspraak. Er werden geen proceskosten toegewezen. De uitspraak werd gedaan op 18 oktober 2004 en is niet vatbaar voor gewoon rechtsmiddel.
Uitkomst: De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd en zendt het verzoek tot voorlopige voorziening door aan de Afdeling bestuursrechtspraak.