ECLI:NL:RBSGR:2004:AR7863

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
23 september 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 04/28840, e.v.
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 70 Vw 2000Art. 8:81 AwbArt. 8:86 AwbArt. 6:6 AwbArt. 85 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek voorlopige voorziening en beroep in vreemdelingenzaak wegens vertrek verzoekers

Verzoekers, van Iraakse nationaliteit, dienden in september 2003 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wees deze aanvragen in juni 2004 af omdat Griekenland verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling. Verzoekers stelden hiertegen beroep in en verzochten om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen.

Bij de zitting in september 2004 verschenen verzoekers noch hun gemachtigden. Uit een brief van hun advocaat bleek dat verzoekers sinds november 2003 met onbekende bestemming waren vertrokken en geen contact meer hadden onderhouden. De voorzieningenrechter achtte daarom het verzoek om voorlopige voorziening en het beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang.

Verweerder had verzocht de advocaat van verzoekers te veroordelen in de proceskosten wegens vermeend misbruik van procesrecht, omdat de advocaat mogelijk niet bepaaldelijk gevolmachtigd was. De voorzieningenrechter verwierp dit verzoek, stellende dat uit de wet en de praktijk blijkt dat een advocaat vooraf bepaaldelijk gevolmachtigd kan zijn en dat er geen aanwijzingen waren voor misbruik.

De voorzieningenrechter wees het verzoek om proceskostenveroordeling af en verklaarde zowel het verzoek om voorlopige voorziening als het beroep niet-ontvankelijk. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening en beroep worden niet-ontvankelijk verklaard; verzoek tot proceskostenveroordeling wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK te 's-GRAVENHAGE
nevenzittingsplaats Zwolle
sector vreemdelingenrecht
voorzieningenrechter
regnr.: Awb 04/28840 & 04/28842 (voorlopige voorziening)
Awb 04/28841 & 04/28839 (beroep)
UITSPRAAK
inzake: A,
geboren op [...] 1971,
B,
geboren op [...] 1967,
mede ten behoeve van haar minderjarige kind,
allen van Iraakse nationaliteit,
IND dossiernummer 0309.16.0158,
gemachtigde: mr. A.J. de Boer, advocaat te Lemmer,
verzoekers;
tegen: DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE
(Immigratie- en Naturalisatiedienst),
te 's-Gravenhage,
vertegenwoordigd door mr. H.P. Kallenbach,
ambtenaar ten departemente, verweerder.
1 Procesverloop
1.1 Op 16 september 2003 hebben verzoekers aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij beschikkingen van 24 juni 2004 heeft verweerder de aanvragen niet ingewilligd omdat Griekenland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Bij brief van 25 juni 2004 is daartegen beroep ingesteld.
1.2 Verzoekers mogen de behandeling van het beroep niet in Nederland afwachten. Bij verzoekschrift van 25 juni 2004 is verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot in beroep is beslist. Het verzoek is ter zitting van 17 september 2004 behandeld. Verzoekers noch hun gemachtigden zijn ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. Kallenbach.
2 Overwegingen
2.1 Blijkens een schrijven van mr. De Boer, van 16 september 2004, is hem gebleken dat verzoekers per 10 november 2003 met onbekende bestemming vertrokken zijn en dat zij zich sindsdien niet meer aan hun meldplicht hebben gehouden. Blijkens voornoemd schrijven van mr. De Boer heeft hij geen contact meer met verzoekers. De voorzieningenrechter neemt daarom aan dat verzoekers geen belang meer hechten aan de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening.
2.2 Het verzoek om een voorlopige voorziening is daarom niet-ontvankelijk. Omdat nader onderzoek niet tot een andere uitkomst zal leiden, verklaart de voorzieningenrechter tevens het beroep, met toepassing van artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk.
2.3 Verweerder heeft ter zitting verzocht om mr. A.J. de Boer te veroordelen in de proceskosten welke verweerder gemaakt heeft. Verweerder heeft hiertoe aangevoerd dat uit het schrijven van mr. De Boer, van 16 september 2004, kan worden afgeleid dat verzoekers ten tijde van het geven van de beschikking van 24 juni 2004 reeds vertrokken waren, zodat niet kan worden aangenomen dat mr. De Boer bepaaldelijk was gevolmachtigd tot het instellen van beroep tegen deze beschikking. Onder deze omstandigheden moet worden aangenomen dat mr. De Boer op eigen titel beroep heeft ingesteld, wat meebrengt dat in casu sprake is geweest van misbruik van procesrecht.
2.4 De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om mr. A.J. de Boer te veroordelen in de proceskosten welke verweerder gemaakt heeft. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter dat uit het bepaalde in artikel 70, eerste lid, Vw 2000 niet kan worden afgeleid dat een advocaat niet reeds bij voorbaat bepaaldelijk gevolmachtigd kan zijn tot het instellen van beroep tegen een afwijzende beschikking.
De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat ook verweerder er blijkbaar van uit gaat dat zulks mogelijk is, gezien de praktijk om in veel gevallen, zoals ook in casu, een termijn van slechts 24 uur te gunnen voor het indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening, terwijl een zodanig verzoek op grond van het bepaalde in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb connex dient te zijn aan een ingediend bezwaar- of beroepschrift. Het zal in veel gevallen voor een advocaat niet goed mogelijk zijn om binnen deze zeer korte termijn met de vreemdeling op wie de bestreden beschikking betrekking heeft te overleggen en om de vraag of de advocaat bepaaldelijk gevolmachtigd wordt tot het aanwenden van rechtsmiddelen eerst dan voor te leggen aan de vreemdeling. Verweerder acht het, gezien deze praktijk, blijkbaar mogelijk dat binnen een zo korte termijn effectieve rechtsmiddelen worden aangewend ten behoeve van de vreemdeling. In deze praktijk van verweerder ziet de voorzieningenrechter een nader aanknopingspunt voor het oordeel dat het voor mogelijk moet worden gehouden dat een advocaat reeds bij voorbaat bepaaldelijk gevolmachtigd is tot het instellen van beroep tegen een afwijzende beschikking.
De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding om aan te nemen dat mr. A.J. de Boer op eigen titel beroep heeft ingesteld en dat hij, door zulks te doen, misbruik van procesrecht heeft gemaakt.
Er bestaat derhalve geen aanleiding voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het verzoek, en het daarmee samenhangende beroep, redelijkerwijs heeft moeten maken.
3 BESLISSING
De voorzieningenrechter:
- verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om mr. A.J. de Boer te veroordelen in de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. A. van der Weij als griffier op 23 sep. 04
Tegen deze uitspraak, voorzover daarbij in de hoofdzaak is beslist, kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.
Artikel 85 Vw Pro 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb Pro (herstel verzuim) is niet van toepassing.
Afschrift verzonden: 23 sep. 04