ECLI:NL:RBSGR:2004:AS3567

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
22 september 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 04/40548
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 85 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden bij bewaring vreemdeling

Op 7 september 2004 is eiser, een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf, in bewaring gesteld met het oog op uitzetting vanwege het belang van de openbare orde. Tegen deze maatregel stelde eiser op 8 september 2004 beroep in. Tijdens de zitting van 20 september 2004 verscheen eiser persoonlijk met zijn raadsvrouw.

De wet van 24 juni 2004 wijzigde de Vreemdelingenwet 2000, waardoor de overheid verplicht is binnen 28 dagen na oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel de rechtbank hiervan in kennis te stellen, tenzij de vreemdeling zelf eerder beroep instelt. Artikel 6:5 Awb Pro vereist dat een beroepschrift gronden bevat. In dit geval ontbraken deze gronden, en ondanks de mogelijkheid tot herstel tijdens de zitting, heeft eiser geen gronden aangevoerd.

De rechtbank oordeelt daarom dat het beroep niet-ontvankelijk is. Er is geen sprake van misbruik van procesrecht, aangezien eiser verklaarde het beroep te hebben ingesteld om duidelijkheid te verkrijgen over de voortvarendheid van de uitzetting. Er worden geen kosten aan eiser opgelegd. Het vonnis is uitgesproken op 22 september 2004.

Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden in het beroepschrift.

Uitspraak

RECHTBANK te ‘s-GRAVENHAGE
nevenzittingsplaats Zwolle
sector vreemdelingenrecht
regnr.: Awb 04/40548
UITSPRAAK
op het beroep tegen de bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet Pro 2000 (Vw 2000), toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd althans zich noemende:
A,
geboren op [...] 1983 te B,
nationaliteit Chinese,
IND dossiernummer 9901.02.8001,
thans verblijvende in het Huis van Bewaring te Ter Apel,
raadsman mr. M. Noot, advocaat te Deventer,
eiser,
tegen
DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,
vertegenwoordigd door D.A. Riezebos,
ambtenaar bij de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND),
verweerder.
1 Procesverloop
Op 7 september 2004 is eiser, die geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, met het oog op de uitzetting in bewaring gesteld omdat het belang van de openbare orde de inbewaringstelling vordert (artikel 59, eerste lid aanhef en onder a, Vw 2000).
Eiser heeft op 8 september 2004 tegen de maatregel van bewaring beroep ingesteld.
Het beroep is behandeld ter zitting van 20 september 2004. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouwe. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.
2 Overwegingen
Op 1 september 2004 is de wet van 24 juni 2004, Stb. 2004, 298, tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met de wijziging van het stelsel van de rechterlijke toetsing van vrijheidsontnemende maatregelen in werking getreden. Ingevolge deze wetswijziging stelt verweerder uiterlijk op de achtentwintigste dag na een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel de rechtbank van dat besluit in kennis, tenzij de vreemdeling voordien zelf beroep heeft ingesteld. Artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat het beroepschrift gronden bevat.
Het beroepschrift bevat geen gronden in de zin van de Awb. Ter zitting is eiser in de gelegenheid geweest het verzuim te herstellen. Eiser heeft ter zitting geen gronden aangevoerd.
Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
Er bestaat geen grond voor het oordeel dat eiser misbruik heeft gemaakt van procesrecht nu eiser ter zitting heeft verklaard dat de reden voor het ingestelde beroep is gelegen in het verkrijgen van duidelijkheid over de voortvarendheid die verweerder bij de (voorbereiding van de) uitzetting betracht. Voor veroordeling van eiser in de kosten die verweerder in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat daarom geen aanleiding.
3 BESLISSING
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. H.R. Lageveen als griffier op 22 september 2004
Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen een week na verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.
Artikel 85 Vw Pro 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Algemene Pro wet bestuursrecht (herstel verzuim) is niet van toepassing.
Afschrift verzonden: 22 september 2004