Rechtbank ‘s-Gravenhage
sector bestuursrecht
tweede afdeling, enkelvoudige kamer
Reg. nr. AWB 03/658 MAWKLA
UITSPRAAK
als bedoeld in artikel 8:77
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Uitspraak in het geding tussen
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
De Bevelhebber der Landstrijdkrachten, verweerder.
Ontstaan en loop van het geding
Eiser, adjudant-onderofficier van het Wapen der Verbindingsdienst en ten tijde voor dit geding van belang werkzaam bij het Genie Opleidingscentrum, Nucleaire, Biologische en Chemische School, heeft op 6 mei 2002 een Vacature reactieformulier (VRF) ingediend met betrekking tot de functie van STOO SIE NCB met bouwsteen volgnummer 0081-DLVZ, vermeld onder vacaturenummer 14251 in de Interne Vacature Publikatie (IVP) van april 2002.
Bij besluit van 17 juli 2002 heeft verweerder eiser bericht dat de functie uit de selectie is teruggetrokken omdat de functie reeds is gevuld naar aanleiding van een eerdere publicatie in IVP-BOT en dat zijn VRF derhalve niet verder in behandeling zal worden genomen.
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 30 juli 2002 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.
Eiser is op 10 september 2002 door verweerder omtrent zijn bezwaar gehoord.
Bij besluit van 4 februari 2003 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 11 februari 2003, ingekomen bij de rechtbank op 14 februari 2003, beroep ingesteld.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens bij brief van 6 mei 2003 een verweerschrift ingediend.
De zaak is op 2 december 2003 ter zitting behandeld.
Eiser is in persoon verschenen.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [A].
Beoordeeld dient te worden of verweerder op goede gronden zijn besluit om eisers sollicitatie niet in behandeling te nemen heeft gehandhaafd.
Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder hem, door de functie middels matching aan een andere kandidaat toe te wijzen, ten onrechte niet als sollicitant heeft meegenomen in het functie- en toewijzingsproces terwijl de door hem geambieerde functie formeel gepubliceerd is geweest in het IVP van april 2002 waarmee hem een aanbod om te solliciteren was gedaan. Matching had, aldus eiser, in een eerder stadium dienen plaats te vinden in welk geval de procedure rechtspositioneel regulier verlopen zou zijn. Eiser is geschikt en beschikbaar en voelt zich door de gang van zaken rechtspositioneel benadeeld. Door hem eerder beschikbaar te stellen voor het functietoewijzingsproces en hem daardoor in de gelegenheid te stellen om voor de geambieerde functie te opteren, is bij hem de verwachting gewekt dat de functie aan hem zou worden toegewezen.
De rechtbank stelt voorop dat het beslissen over het al dan niet toewijzen van een functie geschiedt met gebruikmaking van de bij en krachtens het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) en de Beleidsregel functietoewijzing en bevordering militairen Koninklijke Landmacht (BFBKL) aan verweerder ter zake toegekende discretionaire bevoegdheid. Het is vaste jurisprudentie dat de rechterlijke toetsing van besluiten waarbij een bestuursorgaan gebruik heeft gemaakt van een discretionaire bevoegdheid terughoudend dient te zijn. Bij die toetsing dient de rechtbank te beoordelen of verweerder na afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, waaronder de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn besluit gewezen op de sinds een jaar door hem in het kader van het functietoewijzingsproces gevolgde bestendige gedragslijn. Ingevolge deze gedragslijn vindt tweemaal per jaar, in april en in oktober, publicatie plaats in het IVP van de vacatures waarnaar geschikte en beschikbare kandidaten middels indiening van een VRF kunnen solliciteren. Na elke publicatieronde blijven er kandidaten over die beschikbaar zijn maar geen functie kregen toegewezen en blijven er functies vacant. Via matching wordt vervolgens gepoogd de beschikbare kandidaten, indien geschikt en na goedkeuring van de desbetreffende commandant, een van deze vacatures toe te wijzen. Matching vindt plaats aan het eind van de selectieronde dan wel het begin van de nieuwe publicatieronde. Pas op dat moment bestaat er zicht op de na de publicatieronde nog openstaande vacatures en overgebleven geschikte en beschikbare kandidaten.
Dit betekent tevens dat een kandidaat uit een eerdere publicatieronde voorgaat op een kandidaat uit een latere publicatieronde en dat een vacature welke in een later IVP is gepubliceerd teruggetrokken kan worden als er een kandidaat uit een eerdere selectieronde geschikt is bevonden en de functie krijgt toegewezen
De hierboven uiteengezette gedragslijn is, aldus verweerder, ook in het onderhavige geval gevolgd. De door eiser geambieerde functie heeft reeds in het IVP van oktober 2001 gepubliceerd gestaan, zij het met kenmerk 0081/PO16. Aangezien uit deze publicatie geen geschikte en/of beschikbare kandidaten waren voortgekomen en de operationele inzetbaarheid van de organisatie middels vulling gewaarborgd diende te blijven, is in maart 2002 besloten de functie nogmaals te publiceren in de IVP van april 2002. Daarbij is als consequentie aanvaard dat de functie alsnog gevuld zou kunnen worden met een matchingskandidaat komende uit de selectieronde van oktober 2001.
Na hernieuwde publicatie van de functie in april 2002 heeft op 3 mei 2002 een gesprek tussen de monitor en de matchingskandidaat plaatsgevonden. De kandidaat is vervolgens aangeboden aan de vacaturehoudende eenheid en op 5 juli 2002 op de functie geplaatst, waarna functietoewijzing heeft plaatsgevonden. De functie is hierna teruggetrokken uit de selectie. De selectiezitting die op 17 juli 2002 zou plaatsvinden heeft geen doorgang
gevonden. De selectie is afgebroken. Eiser is conform genoemde gedragslijn niet verder meegenomen in de selectie.
De rechtbank overweegt dat zij de hierboven uiteengezette bestendige gedragslijn op zich niet kennelijk onredelijk of onjuist acht. De rechtbank is voorts niet gebleken dat deze gedragslijn ten aanzien van eiser onjuist is toegepast of dat er redenen waren om daarvan in eisers geval af te wijken. Nu de door eiser geambieerde functie na de eerste publicatieronde van oktober 2001 vacant bleef stond het verweerder vrij om conform de door hem gevolgde bestendige gedragslijn een matchingprocedure te starten. Gegeven het belang van de organisatie bij een tijdige vulling van de vacante functie mocht verweerder er voorts voor kiezen om de functie, niettegenstaande het feit dat de matchingsronde nog niet was afgerond, opnieuw te publiceren in het IVP van april 2002. Van verweerder behoefde niet verlangd te worden dat hij publicatie van de vacante functie zou uitstellen tot de IVP van oktober 2002.
In dit verband acht de rechtbank van belang dat het, zoals eiser ter zitting desgevraagd heeft aangegeven, binnen verweerders organisatie algemeen bekend is dat een vacaturepublicatie en een sollicitatie- en selectieronde worden gevolgd door een matchingprocedure in het geval een functie na de eerste selectieronde nog vacant is. Eiser had er, nu hij wist dat hij solliciteerde naar aanleiding van een tweede vacaturepublicatie, rekening mee dienen te houden dat de functie alsnog naar aanleiding van de eerste vacaturepublicatie kon worden toegewezen aan een matchingkandidaat. Toen de matchingprocedure alsnog een geschikte en beschikbare kandidaat uit de eerste publicatieronde bleek op te leveren kon verweerder, gelet op zijn discretionaire bevoegdheid bij de vulling van vacatures, in redelijkheid besluiten de door eiser geambieerde functie alsnog aan die kandidaat toe te wijzen en de vacature voor die functie terug te trekken.
De rechtbank is evenwel tevens van oordeel dat van verweerder wel verwacht had mogen worden dat bij de publicatie van de vacature in april 2002 met het oog op de nog lopende matchingsprocedure een voorbehoud zou zijn gemaakt. De publicatie van een vacature in de IVP behelst immers een uitnodiging om te solliciteren en is in zoverre niet geheel vrijblijvend. Door bij de publicatie van de vacature in het IVP niet aan te geven dat de matchingsprocedure nog niet was afgerond en dat matchingskandidaten voorrang genoten, heeft verweerder bij eiser de indruk gewekt dat hij aan de sollicitatie- en selectieprocedure zou kunnen deelnemen. Daaraan doet niet af dat eiser op hoofdlijnen bekend was met genoemde bestendige door verweerder ook in het onderhavige geval gevolgde gedragslijn. Bij gebreke van kenbaar en op schrift gesteld beleid inzake de matchingsprocedure had het op verweerders weg gelegen eiser dienaangaande te informeren. Dat verweerder zulks heeft nagelaten acht de rechtbank dan ook onzorgvuldig.
Nu evenwel een zorgvuldige handelwijze van verweerder voor eiser niet tot een andere uitkomst van de procedure zou hebben geleid en van op schadevergoeding te waarderen benadeling van eiser niet is gebleken ziet de rechtbank in hetgeen hiervoor is overwogen geen aanleiding om het beroep van eiser gegrond te achten.
Het beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard.
Hetgeen verder nog door eiser is aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden. Met name kan daartoe niet leiden hetgeen eiser heeft gesteld omtrent zijn geschiktheid voor de door hem geambieerde functie en omtrent zijn beschikbaarstelling. Alhoewel de rechtbank begrip heeft voor eisers teleurstelling constateert zij tevens dat eiser aan de enkele beschikbaarstelling geen rechtens te honoreren verwachtingen dat de functie aan hem zou worden toegewezen kon ontlenen. Voorts stelt zij vast dat verweerder aan een oordeel van eisers geschiktheid voor de functie, nu deze aan een ander dan eiser is toegewezen, niet is toegekomen en ook niet had hoeven toe te komen.
Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.
In de bijzondere omstandigheden van het onderhavige geval ziet de rechtbank wel aanleiding om te gelasten dat het door eiser betaalde griffierecht aan hem wordt vergoed.
Beslist dient te worden als volgt.
De Rechtbank 's-Gravenhage,
verklaart het beroep ongegrond;
bepaalt dat de Staat (het Ministerie van Defensie) aan eiser het door hem betaalde griffierecht ad € 109,00 zal vergoeden.
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Aldus gegeven door mr. C.I. Blok-Bitter en in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2004, in tegenwoordigheid van de griffier Y.E. de Loos.