ECLI:NL:RBSGR:2005:AT0477
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verlenging verblijfsvergunning arbeid in loondienst en vertrouwensbeginsel
Eiser, afkomstig uit Indonesië, had een verblijfsvergunning regulier onder de beperking arbeid in loondienst geldig tot 17 september 2001. Na aanvraag verlenging werd de tewerkstellingsvergunning (twv) pas op 13 augustus 2003 verleend. Verweerder verleende daarop een verblijfsvergunning met ingang van die datum. Eiser stelde dat de verlenging aansluitend had moeten plaatsvinden, conform een toezegging van verweerder en het vertrouwensbeginsel.
De rechtbank overwoog dat artikel 3.31, eerste lid, Vreemdelingenbesluit 2000 niet verplicht tot verlenging zonder geldige twv, maar artikel 3.31, vierde lid, wel ruimte biedt voor verlenging ook zonder twv. Artikel 18, eerste lid, onder g, Vreemdelingenwet 2000 is geen imperatieve weigeringgrond. De toezegging van verweerder om de verblijfsvergunning aansluitend te verlengen is niet in strijd met de wet en moet worden gehonoreerd.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit voor zover de ingangsdatum op 13 augustus 2003 was gesteld en bepaalde de ingangsdatum op 17 september 2001. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij schade had geleden. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van griffierecht.
Uitkomst: De verlenging van de verblijfsvergunning gaat in op 17 september 2001 en het besluit met ingangsdatum 13 augustus 2003 wordt vernietigd.