ECLI:NL:RBSGR:2005:AT5065
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- J.P. Smit
- Rechtspraak.nl
Toepassing van oud recht bij vergunning tot vestiging na vernietiging besluit
Eiser diende op 2 april 1997 een aanvraag in voor een vergunning tot vestiging. Na een eerste afwijzing en een ongegrond verklaard bezwaar, verklaarde de rechtbank op 8 januari 2002 het beroep gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht aan verweerder een nieuw besluit te nemen op het bezwaar. Verweerder nam echter een nieuw besluit waarbij het nieuwe recht, ingevoerd op 1 april 2001, werd toegepast, wat leidde tot afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank oordeelde dat dit besluit onzorgvuldig was voorbereid omdat eiser niet in de gelegenheid was gesteld zich uit te laten over de nieuwe weigeringsgrond, wat in strijd is met het beginsel van hoor en wederhoor. Tevens moet op grond van rechtszekerheid worden uitgegaan van de eerdere uitspraak van de rechtbank en het oude recht, ook al viel de bezwaarfase door vernietiging weer open.
De rechtbank stelde vast dat verweerder onvoldoende had onderbouwd dat niet was voldaan aan het vereiste van vijf jaar hoofdverblijf en dat verweerder geen nader onderzoek had gedaan. Op basis van het dossier en de stellingen van eiser was duidelijk dat sprake was van een hoofdverblijf van langer dan vijf jaar. Er waren ook geen bezwaren op grond van openbare orde of nationale veiligheid.
De rechtbank besloot daarom het beroep gegrond te verklaren, het bestreden besluit te vernietigen en verweerder te verplichten een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd te verlenen met ingang van 2 april 1997. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten en griffierechten ten gunste van eiser.
Uitkomst: Verweerder moet aan eiser een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd verlenen met ingang van 2 april 1997.