ECLI:NL:RBSGR:2005:AT7125
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning voor medische behandeling Kosovo
Eisers, burgers van Servië en Montenegro, vroegen een verblijfsvergunning voor medische behandeling voor hun zwaar gehandicapte dochter uit Kosovo. Verweerder wees de aanvragen af omdat Nederland niet het meest aangewezen land zou zijn voor de behandeling en er voldoende zorg in het land van herkomst zou zijn.
De rechtbank oordeelt dat Kosovo formeel onder Servië en Montenegro valt, maar sinds 1999 onttrokken is aan diens bevoegdheden. Daarom kan Servië en Montenegro niet als land van herkomst worden gezien. De BMA-adviezen waarop verweerder zich baseert, voldoen niet aan de eisen van een deskundigenadvies en geven onvoldoende inzicht in de daadwerkelijke toegang tot medische zorg.
Uit een rapport van Buitenlandse Zaken blijkt dat toegang tot klinieken in Servië en Montenegro afhankelijk is van een officiële aanbeveling die in Kosovo niet meer bestaat. Ook is er geen adequate zorg voor ernstig gehandicapte jongeren in Kosovo. Hierdoor is onvoldoende gemotiveerd dat de noodzakelijke medische behandeling in het land van herkomst beschikbaar is.
De rechtbank vernietigt het besluit van 9 juli 2003 en draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens veroordeelt zij verweerder in de proceskosten en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die het griffierecht vergoedt.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering.