ECLI:NL:RBSGR:2005:AT7131
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing van verblijfsvergunning aan WBV 2005/4 voor etnisch Armeniërs uit Azerbeidzjan
Verzoekers, etnisch Armeniërs uit Azerbeidzjan, deden in 1999 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel die werd afgewezen door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). De verzoekers hadden zich tussen 1992 en 1999 ondergedoken gehouden in Azerbeidzjan en beroepen zich op het beleidswijzigingsbesluit WBV 2005/4, dat een specifieke regeling bevat voor etnisch Armeniërs die tussen 1988 en 1992 uit Azerbeidzjan zijn vertrokken.
De rechtbank oordeelt dat de IND ten onrechte een onjuiste toetsingsmaatstaf heeft gehanteerd door te stellen dat verzoekers geen rechten kunnen ontlenen aan WBV 2005/4 omdat zij zich staande konden houden in Azerbeidzjan. Relevant is volgens de rechtbank of verzoekers geregistreerd stonden in Azerbeidzjan, waarbij hun langdurige onderduiksituatie gelijkgesteld wordt aan vertrek en deregistratie.
Verder stelt de rechtbank dat de IND onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen gebruik is gemaakt van de inherente afwijkingsbevoegdheid en waarom WBV 2005/4 niet van toepassing zou zijn. Ook dient eerst getoetst te worden of verzoekers aan de cumulatieve voorwaarden voldoen om het binnenlands vestigingsalternatief in Nagorny Karabach tegengeworpen te krijgen.
De beroepen worden gegrond verklaard wegens schending van het motiveringsvereiste en de besluiten vernietigd. Verweerder wordt opgedragen nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De beroepen worden gegrond verklaard en de besluiten van de IND vernietigd wegens onvoldoende motivering.