ECLI:NL:RBSGR:2005:AT7187
Rechtbank 's-Gravenhage
- Schadevergoedingsuitspraak
- E.H.B.M. Potters
- Rechtspraak.nl
Schadevergoeding wegens onrechtmatige voortzetting van vreemdelingenbewaring na rechterlijk bevel tot opheffing
Op 29 november 2004 is de vreemdeling in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank heeft bij uitspraak van 31 mei 2005 de bewaring opgeheven vanwege het ontbreken van recente inlichtingen over de verwijdering van de vreemdeling. Ondanks dit bevel heeft de IND de bewaring niet opgeheven en is de vreemdeling op 2 juni 2005 uitgezet naar Algerije.
De rechtbank stelt vast dat het niet opvolgen van het bevel tot opheffing van de bewaring niet berustte op een vergissing, maar opzettelijk was om de bewaring voort te zetten. Deze handelwijze is onrechtmatig en doorkruist de rechterlijke toetsing die essentieel is voor de bescherming van de vrijheidsontneming.
De rechtbank oordeelt dat de bewaring vanaf 31 mei 2005 tot en met 1 juni 2005 onrechtmatig was en kent daarom een schadevergoeding toe van €140,-, gebaseerd op richtlijnen voor immateriële schadevergoeding bij voorlopige hechtenis. Tevens veroordeelt zij de Staat tot vergoeding van proceskosten van €644,-. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: De rechtbank kent een schadevergoeding van €140 toe wegens onrechtmatige voortzetting van vreemdelingenbewaring na rechterlijk bevel tot opheffing.