ECLI:NL:RBSGR:2005:AT9582
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing voortgezette vrijheidsontnemende maatregel wegens niet-spoedige beoordeling
Eiser, van Bengaalse nationaliteit, werd op 23 maart 2005 de toegang tot Nederland geweigerd en onderging een vrijheidsontnemende maatregel. Na een eerste ongegrond verklaard beroep tegen deze maatregel, stelde eiser op 2 mei 2005 een nieuw beroep in tegen de voortzetting van deze maatregel. De rechtbank behandelde het beroep op 26 mei 2005 en deed uitspraak op 31 mei 2005.
Eiser stelde dat de beoordeling van zijn beroep niet spoedig genoeg had plaatsgevonden, in strijd met artikel 5 lid 4 EVRM Pro, dat een snelle rechterlijke toetsing van vrijheidsontneming vereist. De rechtbank stelde vast dat er 29 dagen verstreken waren tussen het instellen van het beroep en de uitspraak, wat volgens jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) te lang is.
De rechtbank nam in haar overwegingen mee dat de zaak weinig complex was en dat de vertraging mede te wijten was aan personele en organisatorische omstandigheden van de rechtbank, welke niet aan eiser konden worden toegerekend. Gezien deze omstandigheden concludeerde de rechtbank dat geen sprake was van een spoedige beoordeling zoals vereist door het EVRM.
Daarom werd het beroep gegrond verklaard en de voortgezette vrijheidsontnemende maatregel per direct opgeheven. De rechtbank wees een schadevergoeding af omdat niet was gebleken dat de maatregel eerder onrechtmatig was geweest. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van eiser.
Uitkomst: De rechtbank beveelt opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel wegens het ontbreken van een spoedige beoordeling volgens artikel 5 lid 4 EVRM.