ECLI:NL:RBSGR:2005:AT9591
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toetsing verblijfsvergunning medische behandeling aan beleid ten tijde aanvraag
Eiser diende op 18 juni 2002 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel het ondergaan van een medische behandeling. De minister wees deze aanvraag op 13 maart 2003 af wegens het ontbreken van een geldig document voor grensoverschrijding. Eiser maakte bezwaar en stelde beroep in tegen het ongegrond verklaren van dit bezwaar.
De kern van het geschil betrof de vraag welk beleid van toepassing was bij de beoordeling van de aanvraag: het beleid dat gold ten tijde van de aanvraag, zoals neergelegd in hoofdstuk B8/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000, of het gewijzigde beleid dat met terugwerkende kracht per 1 april 2001 was vastgesteld in TBV 2003/2. Volgens eiser was het oudere beleid gunstiger omdat het in geval van medische noodsituaties niet vereiste dat een geldig document voor grensoverschrijding werd overlegd.
De rechtbank oordeelde dat op grond van artikel 3.103 van het Vreemdelingenbesluit 2000 de aanvraag moet worden getoetst aan het recht dat gold op het moment van ontvangst van de aanvraag, tenzij het latere recht gunstiger is. De rechtbank volgde de minister niet in diens standpunt dat het gewijzigde beleid met terugwerkende kracht het oudere beleid verving. Omdat de minister de aanvraag niet aan het oudere, gunstigere beleid had getoetst en dit niet had gemotiveerd, was het bestreden besluit ondeugdelijk. Het beroep werd gegrond verklaard en het besluit vernietigd.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt vernietigd.