ECLI:NL:RBSGR:2005:AU0870

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
22 juli 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 04/5525 WAO
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 8:77 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit UWV wegens onvoldoende medisch onderzoek bij arbeidsongeschiktheid

De zaak betreft een geschil over de mate van arbeidsongeschiktheid van een derde-partij per 1 mei 2004. Het UWV had besloten dat derde-partij geen recht meer had op een WAO-uitkering. Dit besluit werd ondersteund door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige, terwijl de bedrijfsarts ernstige psychische klachten en volledige arbeidsongeschiktheid vaststelde.

De rechtbank oordeelt dat het geschil tussen de medische deskundigen niet overtuigend is beslecht door het verzekeringsgeneeskundig oordeel dat slechts op dossierstudie was gebaseerd. Er had een nieuw medisch onderzoek moeten plaatsvinden, bij voorkeur door een deskundige op het gebied van psychiatrie, gezien de aard van het geschil.

Omdat dit onderzoek niet is uitgevoerd, is de medische onderbouwing van het besluit onvoldoende geobjectiveerd. Het besluit is daarom in strijd met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en wordt vernietigd. Het UWV moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van de overwegingen van de rechtbank. Er volgt geen proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het bestreden besluit van het UWV wordt vernietigd wegens onvoldoende medisch onderzoek en het UWV moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage
sector bestuursrecht
eerste afdeling, enkelvoudige kamer
Reg. nr. AWB 04/5525 WAO
UITSPRAAK
als bedoeld in artikel 8:77
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Uitspraak in het geding tussen
De gemeente Den Haag, Dienst Onderwijs, Cultuur en Welzijn,
gevestigd te Den Haag, eiseres,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder.
Derde-partij: [derde-partij]
Ontstaan en loop van het geding
Bij besluit van 25 mei 2004 heeft verweerder aan derde-partij meegedeeld dat hij met ingang van 1 mei 2004 geen recht had op uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Bij besluit van 25 november heeft verweerder het bezwaar dat namens eiseres tegen dit besluit was ingesteld, ongegrond verklaard.
Eiseres is tegen dit besluit in beroep gekomen. Verweerder heeft een verweerschrift alsmede de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden. Derde-partij heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.
Het beroep is behandeld ter zitting van 21 juni 2005. Namens eiseres is niemand verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van der Bent. De derde-partij is niet verschenen.
Motivering
Tussen partijen is in geschil de mate van arbeidsongeschiktheid van derde-partij per 1 mei 2004.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat derde-partij arbeidsmogelijkheden heeft, die hem niet alleen in staat stellen om passend werk te verrichten, maar in feite ook toelaten dat hij zijn eigen werk bij de gemeente Den Haag verricht. Het standpunt van verweerder berust in hoofdzaak op het rapport van 12 mei 2004 van de verzekeringsarts Mirza, gelezen in samenhang met het rapport van 25 juni 2004 van de arbeidsdeskundige M.A. van Essen.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat derde-partij ongeschikt is tot het verrichten van arbeid. Daarbij beroept eiseres zich op de beoordeling van de bedrijfsarts H. Roelofs die in de zogeheten medische hoorzitting naar voren heeft gebracht dat derde-partij ernstige psychische klachten heeft en ongeschikt is voor elk werk.
Derde-partij acht zich volledig arbeidsongeschikt.
Verweerder heeft zich voor het nemen van het bestreden besluit laten adviseren door A.C.J. Wever, bezwaarverzekeringsarts. Deze heeft het dossier en de bezwaren bestudeerd, waarna hij de casus in zijn rapport van 8 november 2004 heeft geëvalueerd, met als conclusie, dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat de primair oordelende verzekeringsarts het oordeel met betrekking tot de arbeidsbeperkingen onvoldoende heeft onderbouwd.
De rechtbank is van oordeel dat bij de behandeling van het bezwaarschrift in dit geval niet volstaan mocht worden met het evalueren van de voorhanden medische gegevens en rapporten, maar dat door nieuw medisch onderzoek een vorm van medische arbitrage geïndiceerd was. Immers, twee artsen die derde-partij daadwerkelijk hadden onderzocht c.q begeleid, stonden in hun inschatting van de arbeidsmogelijkheden van derde-partij lijnrecht tegenover elkaar. Dit medische geschil wordt onvoldoende overtuigend beslecht door een verzekeringsgeneeskundig oordeel in bezwaar dat slechts op de evaluatie van de stukken is gebaseerd. Verweerder had een nieuw medisch onderzoek moeten entameren. Nu het medisch geschil in hoofdzaak het vakgebied der psychiatrie betrof, had het voor de hand gelegen dit nieuwe medisch onderzoek door een deskundige op dat vakgebied te doen plaatsvinden.
Nu dit onderzoek niet heeft plaatsgevonden moet het ervoor worden gehouden, dat de medische onderbouwing van het bestreden besluit onvoldoende geobjectiveerd is. Het bestreden besluit komt daardoor wegens strijd met artikel 7:12 Awb Pro voor vernietiging in aanmerking. Het beroep is gegrond. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van de overwegingen van de rechtbank in deze uitspraak.
Nu niet is gebleken van kosten die daarvoor in aanmerking komen, bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De Rechtbank 's-Gravenhage,
RECHT DOENDE:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiseres het door haar betaalde griffierecht, te weten € 273,-, vergoedt.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Aldus gegeven door mr. D. Allewijn en in het openbaar uitgesproken op
22 juli 2005, in tegenwoordigheid van de griffier mr. N. van der Putten.