ECLI:NL:RBSGR:2005:AU1376
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- E.H.T. Rademaker
- J.H. Keuzenkamp
- H.W.H. Oude Aarninkhof
- Rechtspraak.nl
Rechtbank verklaart beroep gegrond tegen maatregel van bewaring vreemdeling wegens disproportionele belangenafweging
De vreemdeling werd op 20 januari 2005 in bewaring gesteld met het oog op uitzetting op grond van artikel 59, lid 1, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Na een eerste ongegrond verklaard beroep op 11 februari 2005, stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS). De ABRS verklaarde het hoger beroep gegrond op 3 mei 2005, vernietigde de eerdere uitspraak en verwees de zaak terug naar de rechtbank voor hernieuwde beoordeling.
De rechtbank oordeelde dat de staandehouding van de vreemdeling onrechtmatig was, maar dat dit niet automatisch de bewaring onrechtmatig maakte. De minister moest zwaarwegende belangen aanvoeren om de bewaring te rechtvaardigen. Het belang van de nationale veiligheid kon niet worden betrokken, omdat dit in eerdere procedures onherroepelijk was vastgesteld en geen incidenteel beroep was ingesteld.
De overige door de minister aangevoerde belangen, zoals het belang van de openbare orde, het niet beschikken over voldoende middelen van bestaan en het gebruik van aliassen, werden door de rechtbank niet als zwaarwegend genoeg beoordeeld om de individuele belangen van de vreemdeling te overwegen. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, kende een schadevergoeding van €9.310 toe voor de periode van bewaring en veroordeelde de minister tot vergoeding van proceskosten.
De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank 's-Gravenhage op 2 juni 2005, waarbij tevens werd bepaald dat de schadevergoeding ten laste van de Staat der Nederlanden zal worden uitgevoerd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de maatregel van bewaring wordt gegrond verklaard en er wordt een schadevergoeding van €9.310 toegekend.