ECLI:NL:RBSGR:2005:AU2785
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onbillijkheid van overwegende aard bij mvv-vereiste voor minderjarige vreemdelingen
Eisers, minderjarige kinderen van een moeder met de Nederlandse nationaliteit, vroegen in 2001 een verblijfsvergunning regulier aan voor verblijf bij hun moeder. De aanvragen werden afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). De rechtbank stelde vast dat eisers zonder mvv in België waren aangekomen en dat hun moeder, inmiddels Nederlandse, geen invloed had op hun komst.
De rechtbank oordeelde dat van de minderjarige kinderen niet verwacht kan worden zelfstandig een mvv aan te vragen in het land van herkomst of terug te keren om dit alsnog te doen. Ook kon niet van de moeder worden verlangd dat zij met de kinderen terugkeert naar het land van herkomst, mede vanwege de aanwezigheid van een jonger minderjarig kind met de Nederlandse nationaliteit dat in Nederland geen andere opvang heeft.
De rechtbank concludeerde dat het tegenwerpen van het mvv-vereiste in deze situatie leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard, waardoor de hardheidsclausule van toepassing is. Tevens werd de schending van het motiveringsvereiste en de hoorplicht vastgesteld. De besluiten werden vernietigd en verweerder werd opgedragen nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de verblijfsvergunningaanvragen wegens onbillijkheid van overwegende aard en draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen.