ECLI:NL:RBSGR:2005:AU3694
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Herhaalde asielaanvraag en uitzettingsbevoegdheid onder gewijzigde vreemdelingenwet
Verzoeker, een Ugandese staatsburger met HIV, diende een herhaalde aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister wees deze af op grond van artikel 4:6 Awb Pro, omdat geen nieuwe feiten waren aangevoerd sinds eerdere afwijzingen in 1998 en 2000. De rechtbank oordeelde echter dat het toepasselijke recht sinds het besluit van 22 maart 2000 was gewijzigd door de invoering van de Vreemdelingenwet 2000. Onder deze nieuwe wet is de bevoegdheid tot uitzetting een rechtsgevolg van de afwijzing van de asielaanvraag en niet discretionair.
De rechtbank stelde dat de minister bij het nieuwe besluit moest onderzoeken of artikel 3 EVRM Pro zich duurzaam verzet tegen uitzetting, mede gelet op verzoekers angst voor de doodstraf wegens desertie en de gevolgen van zijn HIV-ziekte. Ook werd overwogen dat verzoekers beroep op artikel 8 EVRM Pro in deze procedure niet als asielgrond kon worden meegewogen vanwege de strikte scheiding tussen asielrecht en regulier vreemdelingenrecht in de nieuwe wet.
De medische situatie van verzoeker, waaronder zijn HIV-infectie en recente medische rapporten, vereiste nader onderzoek om de toelaatbaarheid van uitzetting te beoordelen. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en droeg de minister op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze overwegingen. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen, en de minister werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van artikel 3 EVRM.