ECLI:NL:RBSGR:2005:AU4674
Rechtbank 's-Gravenhage
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring en onbevoegdheid schadevergoeding
Eiser werd op 21 februari 2005 in vreemdelingenbewaring gesteld. Op 12 augustus 2005 stelde eiser beroep in tegen het voortduren van de bewaring. Verweerder deelde mee dat de bewaring op 4 juli 2005 was opgeheven. De rechtbank constateerde dat de maatregel al was opgeheven voordat het beroep werd ingesteld.
Eisers gemachtigde handhaafde het beroep en verzocht om toekenning van schadevergoeding op grond van artikel 106 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank oordeelde dat zij onbevoegd was om van dit verzoek kennis te nemen, omdat de opheffing van de bewaring niet door de rechtbank was bevolen en niet tijdens de behandeling van het beroep was opgeheven.
De rechtbank verwees naar een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die deze bevoegdheidsvraag bevestigde. De stelling dat verweerder eiser niet tijdig had geïnformeerd over de opheffing deed hieraan niet af.
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk en sprak zich uit over de onbevoegdheid ten aanzien van het schadevergoedingsverzoek. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de vreemdelingenbewaring werd niet-ontvankelijk verklaard en de rechtbank achtte zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding.