ECLI:NL:RBSGR:2005:AU6043

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
20 oktober 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 05/6486 BESLU
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 57 Algemene politieverordening 1982Art. 3 Wet BIBOBArt. 8:81 AwbArt. 8:84 AwbArt. 4:8 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering vergunning exploitatie recreatie-inrichting

Verzoeker had op 3 september 2003 een vergunning aangevraagd voor de exploitatie van een recreatie-inrichting op grond van artikel 57 van Pro de Algemene politieverordening 1982 en de Wet BIBOB. Deze aanvraag werd bij besluit van 8 april 2005 door verweerder afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 1 augustus 2005 ongegrond werd verklaard. Hiertegen stelde verzoeker beroep in en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.

Tijdens de zitting op 6 oktober 2005 verscheen verzoeker, bijgestaan door advocaten, en werd verweerder vertegenwoordigd. De voorzieningenrechter stelde vast dat verzoeker de recreatie-inrichting ondanks het ontbreken van een vergunning bleef exploiteren en niet van plan was hiermee te stoppen. Verweerder gaf aan dat hij overwoog bestuursdwang toe te passen indien verzoeker niet vrijwillig zou sluiten, maar dat daarvoor eerst een procedure conform artikel 4:8 Awb Pro gevolgd moet worden.

De voorzieningenrechter concludeerde dat er geen sprake was van onverwijlde spoed die een voorlopige voorziening rechtvaardigt, omdat nog geen bestuursdwangbesluit was genomen. Het voortzetten van de exploitatie zonder vergunning werd niet verboden zolang er geen bestuursdwangbesluit was. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen zonder proceskostenveroordeling. De rechtbank streeft ernaar het hoofdberoep op korte termijn te behandelen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van onverwijlde spoed.

Uitspraak

Voorzieningenrechter van de Rechtbank 's-Gravenhage
sector bestuursrecht
Reg. nr. AWB 05/6486 BESLU
UITSPRAAK
als bedoeld in artikel 8:84
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening van
[eiser], wonende te [plaats], verzoeker,
ten aanzien van het besluit van 1 augustus 2005, verzonden op 23 augustus 2005, van de burgemeester van [plaats], verweerder, waarbij verzoekers bezwaar van 26 april 2005 tegen verweerders besluit van 8 april 2005, ongegrond is verklaard. Bij het besluit van 8 april 2005 heeft verweerder aan verzoeker meegedeeld dat zijn aanvraag van 3 september 2003 voor een vergunning op grond van artikel 57 van Pro de Algemene politieverordening voor [plaats] 1982 (APV) voor exploitatie van een recreatie-inrichting in het perceel [straat] 90 te [plaats] op grond van artikel 3 van Pro de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet BIBOB) is afgewezen.
Tegen het besluit van 1 augustus 2005 heeft verzoeker bij brief van 14 september 2005 beroep ingesteld (AWB 05/6488 BESLU). Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het verzoek is op 6 oktober 2005 ter zitting behandeld, waarbij verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn advocaten mr. N.J.F. Snoek en mr. K.G.W. van Oven, en verweerder werd vertegenwoordigd door C.E.J.M. Vaars en mr. A.S. Imanse.
Beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening
Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Voorzover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.
Op grond van het verhandelde ter zitting staat vast dat verzoeker, ondanks het feit dat hij niet over een exploitatievergunning beschikt, de recreatie-inrichting in het perceel [straat] 90 te [plaats] momenteel exploiteert en niet van plan is de exploitatie eigener beweging te staken. Voorts wordt vastgesteld dat verweerder ter zitting uitdrukkelijk heeft verklaard dat indien verzoeker niet uit eigen beweging tot sluiting van de recreatie-inrichting overgaat, er overwogen wordt om hem aan te schrijven dat hij het zonder vergunning exploiteren van de inrichting moet beëindigen en dat indien hij hieraan geen gevolg geeft bestuursdwang zal worden toegepast. In dit kader zal dan wel eerst de procedure als bedoeld in artikel 4:8 van Pro de Awb worden gevolgd, hetgeen betekent dat verzoeker zijn zienswijze over de voorgenomen handhavingsmaatregel kan geven. Volgens verweerder moet zijn brief van 5 september 2005 (alsmede het onder II bepaalde in het besluit in primo van 8 april 2005) niet als een besluit in voornoemde zin worden opgevat, maar als een waarschuwing dan wel een vooraankondiging aan verzoeker dat indien hij niet uit eigen beweging tot sluiting overgaat er nadere beslissingen zullen worden genomen om sluiting van de inrichting te bewerkstelligen.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat, nu er nog geen bestuursdwangbesluit in de zin van artikel 5:24 van Pro de Awb is genomen, er geen sprake is van onverwijlde spoed die vereist dat thans een voorlopige voorziening wordt getroffen. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen aanleiding om een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het aangevochten besluit tot weigering van de vergunning te geven. Het enkele feit dat verzoeker als gevolg van het bestreden besluit van 1 augustus 2005 niet over een vergunning beschikt, staat, zolang verweerder geen voor bezwaar vatbaar besluit tot toepassing van bestuursdwang heeft genomen, niet aan het, zij het zonder vergunning, voortzetten van de exploitatie van de recreatie-inrichting in de weg. Die exploitatie zonder de vereiste vergunning vindt immers al geruime tijd plaats zonder dat verweerder daartegen is opgetreden.
Het verzoek om voorlopige voorziening wordt dan ook afgewezen.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Ter voorlichting aan partijen wordt nog opgemerkt dat de rechtbank ernaar streeft het beroep AWB 05/6488 BESLU op korte termijn te behandelen.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Rechtbank 's-Gravenhage,
RECHT DOENDE:
wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Aldus gegeven door mr. C.J. Waterbolk, als voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2005, in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.G.M. van Ede.
Voor eensluidend afschrift,
de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,
Verzonden op: