ECLI:NL:RBSGR:2005:AU6043
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering vergunning exploitatie recreatie-inrichting
Verzoeker had op 3 september 2003 een vergunning aangevraagd voor de exploitatie van een recreatie-inrichting op grond van artikel 57 van Pro de Algemene politieverordening 1982 en de Wet BIBOB. Deze aanvraag werd bij besluit van 8 april 2005 door verweerder afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 1 augustus 2005 ongegrond werd verklaard. Hiertegen stelde verzoeker beroep in en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
Tijdens de zitting op 6 oktober 2005 verscheen verzoeker, bijgestaan door advocaten, en werd verweerder vertegenwoordigd. De voorzieningenrechter stelde vast dat verzoeker de recreatie-inrichting ondanks het ontbreken van een vergunning bleef exploiteren en niet van plan was hiermee te stoppen. Verweerder gaf aan dat hij overwoog bestuursdwang toe te passen indien verzoeker niet vrijwillig zou sluiten, maar dat daarvoor eerst een procedure conform artikel 4:8 Awb Pro gevolgd moet worden.
De voorzieningenrechter concludeerde dat er geen sprake was van onverwijlde spoed die een voorlopige voorziening rechtvaardigt, omdat nog geen bestuursdwangbesluit was genomen. Het voortzetten van de exploitatie zonder vergunning werd niet verboden zolang er geen bestuursdwangbesluit was. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen zonder proceskostenveroordeling. De rechtbank streeft ernaar het hoofdberoep op korte termijn te behandelen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van onverwijlde spoed.