ECLI:NL:RBSGR:2005:AU6338
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Gegrond beroep tegen weigering verblijfsvergunning op grond van categoriaal beschermingsbeleid voor Iraakse asielzoeker
Verzoeker, een Iraakse asielzoeker, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning op grond van het categoriaal beschermingsbeleid. Verweerder wees de aanvraag af omdat verzoeker een verblijfsalternatief had in Jordanië, waar hij volgens verweerder viereneenhalf jaar legaal verbleef. Deze stelling baseerde verweerder op een verklaring van de vader van verzoeker.
De rechtbank oordeelde dat verweerder zich niet redelijkerwijs op deze enkele verklaring kon baseren om het illegale verblijf van verzoeker in Jordanië te betwijfelen. Dit werd bevestigd door een ambtsbericht waarin werd vermeld dat langer verblijf in Jordanië formeel illegaal is maar op grote schaal wordt gedoogd. Verzoeker had bovendien kopieën van zijn paspoort overgelegd, waarmee de verblijfsstatus onderzocht had kunnen worden.
Verder verwierp de rechtbank het standpunt van verweerder dat verzoeker via Irak naar Jordanië had kunnen reizen, omdat voor Iraakse asielzoekers een categoriale bescherming geldt en het niet redelijk is dit te verlangen. De rechtbank stelde dat verweerder artikel 31 lid 2 onder Pro j van de Vreemdelingenwet 2000 niet redelijk had toegepast en onvoldoende had gemotiveerd waarom verzoeker geen verblijfsvergunning zou krijgen.
Het beroep werd gegrond verklaard wegens schending van het motiveringsvereiste en het besluit van verweerder vernietigd. Verweerder werd opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Het verzoek tot voorlopige voorziening werd afgewezen. Verweerder werd tevens veroordeeld tot betaling van proceskosten aan verzoeker.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot weigering van de verblijfsvergunning wordt vernietigd.