ECLI:NL:RBSGR:2005:AU6359

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
1 november 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 04/4507 WWB
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 35 WWBArt. 8:77 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor legeskosten verlenging verblijfsdocument

Eiseres diende een aanvraag in voor bijzondere bijstand ter vergoeding van legeskosten (€ 285) voor de verlenging van haar verblijfsdocument. Verweerder wees de aanvraag af, stellende dat legeskosten algemene bestaanskosten zijn die uit eigen middelen moeten worden voldaan. De rechtbank oordeelt dat deze afwijzing niet in strijd is met artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) en evenmin kennelijk onredelijk is.

De rechtbank overweegt dat iedere Nederlander een identiteitsbewijs moet hebben en dus met legeskosten geconfronteerd kan worden. Het ontbreken van een beleidslijn vóór november 2003 waarin bijzondere bijstand voor legeskosten werd toegekend, betekent niet dat verweerder niet zijn beleid mocht wijzigen. Ook het feit dat sommige gemeenten wel bijstand verlenen voor legeskosten, bindt verweerder niet vanwege de beleidsvrijheid van gemeenten.

Eiseres voerde tevens aan dat het besluit het recht op respect voor het gezinsleven (artikel 8 EVRM Pro) schendt, maar dit betoog faalt omdat het besluit de voortzetting van het gezinsleven niet belemmert. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van bijzondere bijstand voor legeskosten wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank ‘s-Gravenhage
sector bestuursrecht
tweede afdeling, enkelvoudige kamer
Reg. nr. AWB 04/4507 WWB
UITSPRAAK
als bedoeld in artikel 8:77
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Uitspraak in het geding tussen
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
en
het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer, verweerder.
Ontstaan en loop van het geding
Op 11 mei 2004 heeft eiseres een aanvraag om toekenning van bijzondere bijstand ingediend in verband met de door haar te betalen legeskosten (€ 285,-) voor de verlenging van haar verblijfsdocument.
Bij besluit van 13 mei 2004 heeft verweerder op de aanvraag afwijzend beslist.
Bij besluit van 24 september 2004 heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft eiseres tijdig beroep ingesteld bij de rechtbank.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.
De zaak is op 18 oktober 2005 ter zitting behandeld.
Namens eiseres heeft S.J. de Waard het woord gevoerd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.P.M. van Dijk.
Motivering
In dit geding is de vraag aan de orde of verweerder op goede gronden de aanvraag van eiseres om bijzondere bijstand voor de legeskosten die moeten worden gemaakt in verband met het verlengen van haar vergunning tot verblijf, heeft afgewezen.
Ingevolge artikel 35, eerste lid, eerste volzin, van de Wet werk en bijstand (WWB) heeft de alleenstaande of het gezin, onverminderd paragraaf 2.2 van die wet, recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat legeskosten behoren tot de algemene bestaanskosten. Deze kosten dienen volgens verweerder te worden bekostigd uit de eigen middelen.
De rechtbank begrijpt verweerders standpunt aldus, dat het hier niet gaat om uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten.
Naar het oordeel van de rechtbank is verweerders stellingname niet in strijd met artikel 35, eerste lid, van de WWB, en evenmin kennelijk onredelijk. Bedacht dient te worden dat iedere Nederlander over een identiteitsbewijs dient te beschikken, en dat iedereen derhalve met legeskosten geconfronteerd kan worden. Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat het hier gaat om algemene bestaanskosten, en dat deze kosten geacht kunnen worden uit de eigen middelen te worden voldaan.
De stelling van eiseres dat verweerder hieromtrent geen beleid heeft vastgesteld, mist feitelijke grondslag. Uit de stukken blijkt immers dat de beleidslijn er sinds november 2003 is. Dat vóór die tijd bij het ontbreken van een vaste beleidslijn in sommige gevallen wel bijzondere bijstand voor legeskosten werd toegekend, betekent niet dat het verweerder niet zou zijn toegestaan om zijn handelwijze te veranderen.
Ook het feit dat in sommige gemeenten wel bijstand wordt verleend voor legeskosten, bindt verweerder niet, hoewel de rechtbank met eiseres van oordeel is dat deze situatie uit een oogpunt van gelijke behandeling moeilijk verdedigbaar is. De wetgever heeft de gemeentebesturen echter uitdrukkelijk beleidsruimte gegeven.
De rechtbank is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder had dienen af te wijken van zijn beleid. Eiseres heeft overigens ook niets aangevoerd omtrent de onmogelijkheid van het betalen van de legeskosten zodat niet valt in te zien waarom geoordeeld zou moeten worden dat verweerder met de bijzondere omstandigheden van eiseres geen rekening heeft gehouden.
Eiseres heeft aangevoerd dat het bestreden besluit een schending oplevert van het recht op respect voor het gezinsleven zoals neergelegd in artikel 8 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Dit betoog faalt. Het bestreden besluit belet niet de voortzetting van het familie- of gezinsleven tussen eiseres en haar partner en kind.
De rechtbank ziet, gelet op het voorgaande geen grond voor het oordeel dat verweerder de aanvraag ten onrechte heeft geweigerd.
Het beroep is ongegrond.
Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De Rechtbank 's-Gravenhage,
RECHT DOENDE:
Verklaart het beroep ongegrond.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Aldus gegeven door mr. C.J. Waterbolk en in het openbaar uitgesproken op 1 november 2005, in tegenwoordigheid van de griffier mr. W. Goederee.
Voor eensluidend afschrift,
de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,
Verzonden op: