ECLI:NL:RBSGR:2005:AU6886
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing vreemdelingenbewaring wegens belangen van minderjarige kinderen en gezinsleven
De rechtbank 's-Gravenhage behandelde het beroep van een Kroatisch gezin tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De vreemdelingen waren in bewaring gesteld wegens het niet naleven van vertrektermijnen en het ontbreken van geldige grensdocumenten. De rechtbank stelde vast dat de maatregel op zich wettelijk was gerechtvaardigd.
Echter, bij de belangenafweging speelde het jonge leeftijdsprofiel van de vier minderjarige kinderen (6 tot 13 jaar) een cruciale rol. Het verblijf van het gezin in het Uitzetcentrum werd als onwenselijk beoordeeld, mede omdat de kinderen feitelijk zonder maatregel met hun ouders in bewaring waren gesteld. De rechtbank nam ook het recht op gezinsleven zoals beschermd in artikel 8 EVRM Pro mee in haar overwegingen.
De rechtbank concludeerde dat verweerder onvoldoende gewicht had toegekend aan het belang van het gezin en de kinderen, en dat het algemene belang bij inbewaringstelling niet zwaarder mocht wegen. De onzekerheid over de duur van het onderzoek bij de Servische autoriteiten en het ontbreken van een geschikt regime voor kinderen in de justitiële inrichting versterkten dit oordeel.
Daarom werd de voortzetting van de bewaring als onredelijk beoordeeld en werd de opheffing van de bewaring bevolen. De verzoeken om schadevergoeding werden afgewezen, maar de Staat werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 644,00 aan de vreemdelingen.
Uitkomst: De rechtbank beveelt opheffing van de vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende gewicht aan het belang van het gezinsleven en de jonge kinderen.