ECLI:NL:RBSGR:2005:AU8377
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- E.H.B.M. Potters
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep na intrekking besluit verblijfsvergunning asiel
Eiser, een Nigeriaanse burger, had beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel. Het bestreden besluit van 29 december 2004 werd echter ingetrokken door verweerder, waarna de rechtbank moest beoordelen of eiser nog een procesbelang had bij het beroep.
De rechtbank oordeelde dat eiser geen rechtens relevant belang meer had bij een inhoudelijke beoordeling van het ingetrokken besluit, waardoor het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank benadrukte dat verweerder een nieuw besluit moet nemen, waarbij rekening moet worden gehouden met de mogelijke schending van artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer naar Nigeria.
Verder werd vastgesteld dat de bevoegdheid tot uitzetting niet discretionair is en dat bij een meeromvattende beschikking, zoals bedoeld in artikel 45 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, de situatie van eiser zorgvuldig moet worden beoordeeld. De rechtbank veroordeelde de Staat tot vergoeding van de proceskosten van €805,- aan eiser.
De uitspraak sluit aan bij eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarbij bijzondere aandacht wordt gevraagd voor uitzonderlijke situaties en disproportionaliteit bij het onthouden van verblijfsvergunningen.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard na intrekking van het bestreden besluit; de Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.