ECLI:NL:RBSGR:2005:AU8649
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Opheffing ongewenstverklaring wegens schending gezinsleven artikel 8 EVRM
Eiser is in 1997 ongewenst verklaard vanwege ernstige misdrijven, waaronder twee inbraken en een drugsdelict, waarvoor hij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden kreeg. Na zijn vrijlating is hij een relatie aangegaan met mevrouw B, met wie hij vier kinderen heeft, waarvan twee uit een eerder huwelijk van mevrouw B. De rechtbank stelt vast dat er sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro en dat de inmenging door de ongewenstverklaring gerechtvaardigd moet worden beoordeeld.
De belangenafweging van verweerder hield in dat het belang van eiser niet doorslaggevend is vanwege zijn strafrechtelijke verleden en het feit dat hij en mevrouw B hun relatie zijn aangegaan nadat hij ongewenst was verklaard. De rechtbank oordeelt echter dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de kinderen, de psychische klachten van mevrouw B en de problemen die het gezin bij vestiging in Macedonië zal ondervinden.
De rechtbank vindt dat het belang van het gezinsleven in Nederland zwaarder weegt dan de bescherming van de openbare orde en verklaart het beroep gegrond. De ongewenstverklaring wordt opgeheven met ingang van de dag van de uitspraak. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak wordt beslist.
Uitkomst: De rechtbank heft de ongewenstverklaring van eiser op wegens schending van artikel 8 EVRM.