ECLI:NL:RBSGR:2005:AV5401
Rechtbank 's-Gravenhage
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtsmacht Nederlandse rechter bij internationale kinderontvoering met verblijf in India
De man vordert in kort geding de teruggeleiding van zijn minderjarige kind van India naar Nederland, waar het kind haar gewone verblijfplaats heeft. De vrouw heeft het kind zonder toestemming meegenomen naar Nepal en later India, en daar het gezag verkregen via lokale procedures. De man baseert zijn vordering op het Haags Kinderontvoeringsverdrag en de Uitvoeringswet, en stelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is vanwege de Nederlandse verblijfplaats van het kind en de echtscheidingsprocedure in Nederland.
De voorzieningenrechter onderzoekt de rechtsmacht en concludeert dat noch het Haags Kinderontvoeringsverdrag noch de Uitvoeringswet de Nederlandse rechter bevoegdheid geven, omdat India geen verdragsland is en het kind niet naar Nederland is ontvoerd. Artikel 11 van Pro de Uitvoeringswet ziet alleen op ontvoeringen naar Nederland. Ook een beroep op artikel 9c Rv faalt, omdat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat een procedure in India onaanvaardbaar is.
De rechter verklaart zich daarom onbevoegd en bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. De zaak betreft een complexe internationale familierechtelijke kwestie waarbij de Nederlandse rechter geen bevoegdheid toekomt om de teruggeleiding te bevelen.
Uitkomst: De Nederlandse rechter verklaart zich onbevoegd om de teruggeleiding van het kind naar Nederland te bevelen.