ECLI:NL:RBSGR:2005:AV6489
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.A.C. Prins
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang bij verblijfsvergunning medische noodsituatie
Eiser heeft een verblijfsvergunning regulier aangevraagd onder de beperking 'medische behandeling'. Verweerder heeft hem echter een vergunning verleend onder de beperking 'verblijf vanwege medische noodsituatie' voor vijf jaar. Eiser betoogt dat hij met deze vergunning in een slechtere positie verkeert dan met de gevraagde vergunningen, die volgens hem een niet-tijdelijk karakter hebben.
De rechtbank onderzoekt de wettelijke bepalingen in het Vreemdelingenbesluit 2000 en constateert dat de verleende vergunning onder de beperking 'verblijf vanwege medische noodsituatie' niet expliciet als tijdelijk is bestempeld. Volgens artikel 3.5, derde lid, Vb 2000 betekent dit dat het verblijfsrecht niet-tijdelijk is, ondanks een beleidsregel die dit anders vermeldt. De rechtbank oordeelt dat deze beleidsregel in strijd is met het algemene verbindend voorschrift en derhalve niet kan prevaleren.
Verder stelt de rechtbank vast dat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat zijn positie slechter is dan bij een vergunning onder de andere beperkingen. Verweerder heeft terecht geweigerd een vergunning onder de beperking 'medische behandeling' te verlenen vanwege het ontbreken van een toereikende ziektekostenverzekering. Het beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een inhoudelijke beoordeling van de overige gronden en wijst het beroep af zonder kostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang.