ECLI:NL:RBSGR:2006:AV0376
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- G.M. Meijer-Campfens
- W.K.F. Hangelbroek
- E.C.R. Schut
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over toepassing artikel 1F Vluchtelingenverdrag inzake Srebrenica
Eisers, afkomstig uit Srebrenica, dienden asielaanvragen in Nederland in, welke werden afgewezen op grond van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag wegens vermeende betrokkenheid van eiser bij oorlogsmisdrijven tijdens de verdediging van Srebrenica.
Verweerder baseerde zijn besluit op verklaringen van eiser, diverse openbare bronnen en rapporten, waaronder het NIOD-rapport en het VN-rapport, waarin werd gesteld dat eiser als commandant en lid van de Oorlogsraad verantwoordelijk was voor misdrijven gepleegd door moslimmilities tegen Servische burgers.
De rechtbank beoordeelde de feiten en concludeerde dat er onvoldoende bewijs is dat eiser persoonlijk leiding gaf tijdens de aanvallen of dat zijn handelen of nalaten wezenlijk heeft bijgedragen aan deze misdrijven. Tevens werd de motivering van verweerder als onvoldoende en onzorgvuldig beoordeeld, mede omdat het ICTY geen verdenking tegen eiser uitte.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep gegrond, vernietigde de bestreden besluiten en beval nieuwe beslissingen te nemen met inachtneming van deze overwegingen. Tevens werden de proceskosten aan eisers toegekend.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt de afwijzende besluiten inzake de asielaanvragen van eisers.