ECLI:NL:RBSGR:2006:AV1604

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
13 februari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 06/4414
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:77 AwbVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortzetting bewaring vreemdeling en rappellering buitenlandse autoriteiten

De vreemdeling, met Libische nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen de voortzetting van zijn bewaring die op 26 september 2005 is opgelegd. De rechtbank heeft eerder de rechtmatigheid van de bewaring bevestigd en beoordeelt nu of verdere voortzetting gerechtvaardigd is.

Verweerder heeft toegelicht dat vanaf 1 januari 2006 een uniforme rappeltermijn van eenmaal per maand wordt gehanteerd bij de buitenlandse autoriteiten, ter vervanging van de eerdere wisselende termijnen. De rechtbank oordeelt dat deze frequentie voldoet aan de eisen van voortvarendheid, mede omdat geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken die frequenter rappelleren vereisen.

De vreemdeling heeft geen concrete argumenten aangevoerd die het standpunt van verweerder weerleggen. Er is geen aanleiding om de bewaring te beëindigen of schadevergoeding toe te kennen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage
sector bestuursrecht
vreemdelingenkamer, enkelvoudige kamer
__________________________________________________
UITSPRAAK
ingevolge artikel 8:77 Algemene Pro wet bestuursrecht
beroep vrijheidsontnemende maatregel
__________________________________________________
Reg.nr. : AWB 06/4414 VRONTN
Inzake : [vreemdeling], V-nummer [V-nummer], thans verblijvende op de Detentieboot Reno te Rotterdam, hierna te noemen de vreemdeling,
gemachtigde mr. M.B.J. Strooij, advocaat te Amsterdam,
tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder, gemachtigde drs. I.C.M. van der Veen, ambtenaar ten departemente.
I. PROCESVERLOOP
1. De vreemdeling heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] 1966 en de Libische nationaliteit te hebben.
2. Op 23 januari 2006 heeft de vreemdeling een beroepschrift ingediend bij de rechtbank. Het beroep is gericht tegen het voortduren van de maatregel van bewaring die verweerder bij besluit van 26 september 2005 de vreemdeling heeft opgelegd. In het beroepschrift is tevens verzocht om schadevergoeding.
3. De openbare behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden op 6 februari 2006. De vreemdeling is aldaar verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Tevens was aanwezig A. Dahmani, tolk in de Arabische taalo.
II. OVERWEGINGEN
1. De rechtbank stelt voorop dat over de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring als zodanig reeds is beslist bij uitspraak van deze rechtbank van 14 oktober 2005. Voorts heeft deze rechtbank laatstelijk bij uitspraak van 1 december 2005 geoordeeld dat het voortduren van de bewaring rechtmatig was.
Derhalve staat thans ter beoordeling of verdere voortzetting van de maatregel van bewaring, gegeven de omstandigheden van het geval, rechtmatig is.
2. Verweerder heeft ter zitting betoogd dat met de autoriteiten van de ambassades hier te lande is afgesproken dat met ingang van 1 januari 2006 één keer per maand wordt gerappelleerd naar de stand van zaken van het onderzoek. Deze handelwijze vervangt de tot dan toe bestaande handelwijze praktijk waarin van rappeltermijnen met uiteenlopende duur sprake was.
3. De vreemdeling stelt dat aldus onvoldoende voortvarend aan zijn uitzetting wordt gewerkt.
4. De rechtbank is van oordeel dat als in algemene zin eens per maand bij de buitenlandse autoriteiten wordt geïnformeerd met betrekking tot de op dat moment lopende onderzoeken, aan de eisen van voortvarendheid is voldaan. De rechtbank houdt het er voor dat verweerder uit zijn contacten met de buitenlandse autoriteiten en het resultaat van rappelleren kennelijk heeft kunnen inschatten dat een uniforme rappeltermijn van één keer per maand niet tot minder resultaat zal leiden dan frequenter rappelleren.
De vreemdeling heeft geen andersluidende argumenten aangevoerd.
Het vorenstaande laat onverlet dat verweerder gehouden kan zijn op individueel of dossierniveau frequenter te rappelleren indien sprake is van bijzondere omstandigheden, bij voorbeeld als de vreemdeling door het overleggen van originele persoonsdocumenten aantoonbaar meewerkt aan het verkrijgen van een document voor terugkeer naar het land van herkomst.
Hiervan is de rechtbank niet gebleken.
5. Niet is gebleken van feiten en omstandigheden die meebrengen dat de voortzetting van de bewaring ten aanzien van de vreemdeling in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.
6. Het beroep is derhalve ongegrond. Er is geen grond voor het toekennen van schadevergoeding.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De rechtbank 's-Gravenhage
RECHT DOENDE:
1. verklaart het beroep ongegrond;
2. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus gedaan door mr. G.P. Kleijn en uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2006, in tegenwoordigheid van mr. N. Hobby, griffier.
RECHTSMIDDEL
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
afschrift verzonden op: