ECLI:NL:RBSGR:2006:AV2566
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen kennelijk ongegrond verklaard beroep inzake buitenbehandelingstelling verblijfsvergunning
Opposante heeft een aanvraag ingediend tot verlenging van haar verblijfsvergunning onder de beperking gezinshereniging bij ouders. De minister besloot de aanvraag niet in behandeling te nemen wegens het niet tijdig betalen van de leges. Tegen dit besluit werd bezwaar gemaakt, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde opposante beroep in, dat door de rechtbank kennelijk ongegrond werd verklaard.
In het verzet staat enkel de vraag centraal of de rechtbank terecht het beroep kennelijk ongegrond heeft verklaard, niet de inhoudelijke beoordeling van het besluit van de minister. De rechtbank oordeelt dat de eerdere uitspraak op goede gronden is gedaan, mede gelet op jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat het te laat betalen van leges niet aan het besluit tot buitenbehandelingstelling afdoet.
Nieuwe argumenten en verwijzingen naar beleid of het EVRM die in het verzet zijn aangevoerd, konden niet tot een ander oordeel leiden omdat deze niet in het oorspronkelijke beroep waren ingebracht en niet ambtshalve door de rechter hoeven te worden betrokken. Het verzet wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van 7 november 2005 blijft in stand.
Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de uitspraak dat het beroep kennelijk ongegrond is, blijft in stand.