ECLI:NL:RBSGR:2006:AV2823
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Niet betalen van leges is geen zelfstandige grond voor afwijzing verblijfsvergunning regulier
Verzoeksters, allen van Dominicaanse nationaliteit, dienden aanvragen in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Verweerder wees deze aanvragen af wegens het niet betalen van de verschuldigde leges. Verzoeksters maakten bezwaar en stelden dat het niet betalen van leges geen zelfstandige grond voor afwijzing is.
De rechtbank overwoog dat de bevoegdheid van verweerder om aanvragen buiten behandeling te stellen op grond van artikel 24, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000, beperkt wordt door de termijn van vier weken genoemd in artikel 4:5, vierde lid, Algemene wet bestuursrecht. Verweerder had deze bevoegdheid niet binnen de termijn uitgeoefend, waardoor de aanvragen niet buiten behandeling gesteld konden worden.
Verder stelde de rechtbank vast dat artikel 16 Vreemdelingenwet Pro 2000 limitatief de afwijzingsgronden opsomt en het niet betalen van leges daar niet onder valt. Het standpunt van verweerder dat andere gronden mogelijk zijn op grond van de facultatieve formulering in artikel 16 werd Pro niet gedeeld. De rechtbank verklaarde de beroepen gegrond, vernietigde de bestreden besluiten en droeg verweerder op een nieuw besluit te nemen.
De verzoeken om voorlopige voorziening werden afgewezen omdat in de hoofdzaak werd beslist. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten en de Staat der Nederlanden werd aangewezen als de rechtspersoon die het griffierecht moet vergoeden.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de besluiten wegens onjuiste wettelijke grondslag en draagt op tot nieuw besluit op bezwaar.