Volgens C1/5.13.3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is het aan verweerder om aan te tonen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat een vreemdeling onder de criteria van artikel 1 (F) Vluchtelingenverdrag valt.
Teneinde te bepalen of betrokkene individueel verantwoordelijk dient te worden gehouden voor misdrijven, als bedoeld in artikel 1 (F) Vluchtelingenverdrag, wordt de “personal en knowing participation test” toegepast. Beoordeeld wordt of ten aanzien van betrokkene kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het misdrijf/de betreffende misdrijven (“knowing participation”) én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (“personal participation”). Indien hiervan sprake is, kan aan betrokkene artikel 1 (F) Vluchtelingenverdrag worden tegengeworpen. De “personal and knowing participation test” is in lijn met het gestelde in het Statuut van Rome (artikelen 25 en 27 tot en met 33), aldus de circulaire. Onder persoonlijke deelname wordt niet slechts verstaan het door betrokkene zelf of in diens opdracht plegen van misdrijven, doch ook het door betrokkene direct faciliteren van de misdrijven, dat wil zeggen dat zijn handelen en/of nalaten in wezenlijke mate ertoe heeft bijgedragen. Van een wezenlijke bijdrage is sprake indien de bijdrage feitelijk effect heeft gehad op het begaan van het misdrijf en dat het misdrijf hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze zou hebben plaatsgevonden, indien niemand de rol van betrokkene had vervuld, dan wel betrokkene gebruik had gemaakt van mogelijkheden het misdrijf te voorkomen.
Verweerder heeft in het bestreden besluit artikel 1 (F), aanhef, sub a, b en c van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing geacht. Verweerder heeft daarbij hetgeen uit enkele bronnen, waaronder een door de Minister van Buitenlandse Zaken uitgebracht individueel ambtsbericht, bekend is gelegd naast hetgeen eiser zelf heeft verklaard.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 27 januari 2003 in zaak nr. 200206297/1, JV 2003/103), behoort de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling in zijn asielrelaas gestelde feiten en omstandigheden tot de verantwoordelijkheid van de minister en kan die beoordeling slechts terughoudend door de rechter worden getoetst. Dit is niet anders, waar het gaat om de vraag of er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de betrokken vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag.
In onder meer de uitspraak van 12 oktober 2001, zaaknummer 200103977/1, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS), JV 2001/103, overwogen dat een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken kan worden aangemerkt als een deskundigenadvies aan de (toen nog) staatssecretaris, thans de minister, ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Daartoe dient het wel op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie te verschaffen, onder aanduiding –voor zover mogelijk en verantwoord- van de bronnen, waaraan deze is ontleend. Indien aan deze eisen is voldaan, mag verweerder bij de besluitvorming op asielaanvragen van de juistheid van die informatie uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan. Ook dit is niet anders, waar het gaat om de vraag of er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de betrokken vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen, als bedoeld in artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag.
Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht die leiden tot twijfel aan de juistheid of volledigheid van de door verweerder gebruikte bronnen.
De rechtbank acht op basis van het individuele ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 15 april 2004 aannemelijk dat eiser lid is geweest van de OMON èn lijfwacht was van commandant Javadov in de periode waarin sprake was gevechtshandelingen rond de enclave Nagorno Karabach, meer in het bijzonder de periode 1991-1992. Op basis van dit individuele ambtsbericht moet voorts worden aangenomen dat OMON in 1990 betrokken was bij gevechten in de “Gazakh” regio in Azerbeidzjan, derhalve ten noord westen van de enclave. Ook in de andere door verweerder gebruikte bronnen, waaronder de rapportage van HRW van september 1992 wordt de regio noordwestelijk van de enclave aangewezen als het gebied waar deportaties van Armeense burgers en andere mensenrechtenschendingen hebben plaatsgevonden.