ECLI:NL:RBSGR:2006:AV8609

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
23 januari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 06/1284
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 96 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing van vreemdelingenbewaring na langdurige detentie ondanks criminele antecedenten

De rechtbank 's-Gravenhage behandelde het beroep van een PGA-vreemdeling tegen de voortzetting van zijn vreemdelingenbewaring, die op het moment van beoordeling ruim zeventien maanden duurde. Eiser heeft een lange geschiedenis van criminele antecedenten en is ongewenst verklaard. Ondanks zijn agressieve en niet meewerkende houding tijdens de procedures, oordeelt de rechtbank dat de belangenafweging nu in het voordeel van de vreemdeling uitvalt.

De rechtbank stelt vast dat de rechtmatigheid van de bewaring als zodanig al eerder is beoordeeld en dat nu alleen de redelijkheid van voortzetting aan de orde is. Jurisprudentie wijst erop dat na zes maanden bewaring het belang van de vreemdeling om vrij te zijn doorgaans zwaarder weegt dan het belang van de overheid. Hoewel uitzonderingen mogelijk zijn bij zware antecedenten en obstructief gedrag, vindt de rechtbank dat na ruim zeventien maanden de bewaring niet langer gerechtvaardigd is.

Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen, maar de rechtbank veroordeelt de verweerder in de proceskosten van de eiser, vastgesteld op € 644,-. De uitspraak is definitief en niet vatbaar voor gewoon rechtsmiddel.

Uitkomst: De rechtbank heft de vreemdelingenbewaring op na ruim zeventien maanden detentie ondanks zware criminele antecedenten.

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector Bestuursrecht
Vreemdelingenkamer
zitting houdende te Dordrecht
Reg.nr : AWB 06/1284
Uitspraak in de zaak van
A, eiser,
gemachtigde: mr. W.J.J. Trooster, advocaat te Vlaardingen,
tegen
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie te ’s-Gravenhage, verweerder,
gemachtigde: mr. J.J. Nooteboom, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
1. Op 5 januari 2006 is de rechtbank, door middel van een namens eiser ingediend beroepschrift ex artikel 96 Vreemdelingenwet Pro 2000 (Vw 2000), in kennis gesteld van het voortduren van de bewaring van eiser nadat deze rechtbank, zitting houdende te Dordrecht, het beroep tegen het voortduren van de bewaring laatstelijk bij uitspraak van 1 oktober 2004 ongegrond heeft verklaard.
2. De zaak is op 19 januari 2006 behandeld ter zitting van een enkelvoudige kamer.
Eiser is ter zitting verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde.
Verweerder is verschenen bij gemachtigde.
II. OVERWEGINGEN
1. De rechtbank stelt voorop dat over de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring als zodanig reeds is beslist. Derhalve staat thans ter beoordeling of verdere voortzetting van de maatregel van bewaring in strijd is met de wet dan wel, bij afweging van alle betrokken belangen, in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.
2. De rechtbank acht het beroep gegrond en komt daartoe op grond van de navolgende overwegingen.
De bewaring van eiser duurt inmiddels ruim 17 maanden voort. Naarmate de bewaring voortduurt, wordt het belang van de vreemdeling om in vrijheid te worden gesteld groter. In de jurisprudentie wordt er doorgaans van uitgegaan dat na zes maanden bewaring het belang van de vreemdeling om in vrijheid te worden gesteld in het algemeen zwaarder weegt dan het belang van verweerder om de vreemdeling ter fine van uitzetting in bewaring te houden, zodat de bewaring dan niet langer gerechtvaardigd is te achten. Onder omstandigheden kan die termijn evenwel langer dan wel korter zijn.
De termijn van zes maanden kan onder meer worden overschreden indien het belang van verweerder bij de verwijdering van de betrokken vreemdeling aanmerkelijk groter is dan in het algemeen het geval is, bijvoorbeeld wanneer er sprake is van ongewenstverklaring of zware criminele antecedenten; de vreemdeling het onderzoek naar de vaststelling van de identiteit of nationaliteit frustreert; de vreemdeling na de inbewaringstelling een of meerdere procedures ter verkrijging van een verblijfstitel is gaan voeren met het kennelijke doel om de uitzetting dan wel de verkrijging van een reisdocument te vertragen; bij het bereiken van de termijn van zes maanden een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid bestaat dat de vreemdeling op korte termijn wordt verwijderd.
Eiser is een zogenaamde PGA-vreemdeling, hetgeen inhoudt dat er ten aanzien van eiser sprake is van (zware) criminele antecedenten. Zo komt eiser sinds 1992 als verdachte 81 keer voor in de bedrijfsprocessystemen van de politie Rotterdam-Rijnmond in verband met diverse misdrijven en is hij bij beschikking van 24 juni 1994 ongewenst verklaard. Eiser is in totaal veroordeeld geweest tot 6 jaar en 9 maanden gevangenisstraf en staat bekend als harddrugsgebruiker. Verder frustreert eiser het onderzoek ter fine van zijn uitzetting door zich tijdens de gehoren agressief en beledigend op te stellen, onberekenbaar gedrag te vertonen en expliciet te verklaren niet mee te willen werken aan zijn terugkeer naar Ethiopië.
De rechtbank is, ondanks de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden en het feit dat verweerder naar het oordeel van de rechtbank nog steeds voldoende voortvarend te werk gaat, desalniettemin van oordeel dat de belangenafweging thans, na ruim 17 maanden, in het voordeel van eiser dient uit te vallen. De bewaring dient derhalve te worden opgeheven.
3. De rechtbank acht geen termen aanwezig voor het toekennen van schadevergoeding.
4. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van dit beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende bijstand zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en wegingsfactor 1).
De rechtbank is niet gebleken dat eiser nog andere kosten heeft moeten maken die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.
Omdat aan eiser ter zake van dit geschil een toevoeging is verleend, dient voormeld bedrag aan proceskosten aan de griffier van de rechtbank te worden betaald.
5. Gezien het voorgaande beslist de rechtbank als volgt.
III. BESLISSING
De rechtbank 's-Gravenhage:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel tot vrijheidsontneming met ingang van 23 januari 2006;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten die de eiser in verband met de behandeling van dit beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op € 644,- ten bedrage van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die voormelde kosten aan de griffier dient te vergoeden.
Aldus gegeven door mr. A.P. Hameete, rechter, en door deze en M.G. den Ambtman, griffier, ondertekend.
De griffier,
De rechter,
Uitgesproken in het openbaar op: 23 januari 2006
Afschrift verzonden op:
RECHTSMIDDEL
Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.