ECLI:NL:RBSGR:2006:AV8801
Rechtbank 's-Gravenhage
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Terugvoer van kind na internationale ontvoering naar Nederland
De vrouw vordert in kort geding dat de man wordt veroordeeld om hun kind binnen vijf dagen na betekening van het vonnis terug te voeren naar Turkije, waar het kind sinds 2003 haar gewone verblijfplaats had. De man had het kind zonder toestemming van de vrouw in Nederland gebracht, wat door de vrouw als ontvoering wordt beschouwd.
De rechtbank stelt vast dat zij bevoegd is de zaak te behandelen omdat het kind zich thans in Nederland bevindt en het Haags Kinderontvoeringsverdrag van toepassing is. De man erkent het gezamenlijk gezag, maar betwist niet dat hij het kind zonder toestemming naar Nederland heeft gebracht. De rechtbank oordeelt dat dit een ongeoorloofde overbrenging is in de zin van het verdrag, waardoor de vordering in beginsel toewijsbaar is.
De man voert aan dat het kind bij de vrouw in Turkije in slechte staat verkeerde en dat het kind gehoord moet worden. De rechtbank vindt deze stellingen onvoldoende aannemelijk en acht het verhoor van het vierjarige kind in kort geding niet passend. Er zijn geen andere weigeringsgronden gebleken.
De rechtbank wijst de vordering toe en legt een dwangsom op van €500 per dag met een maximum van €50.000 voor het niet naleven van de terugvoer. De dwangsom is vatbaar voor matiging. Partijen dragen ieder hun eigen proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De man wordt veroordeeld het kind binnen vijf dagen terug te voeren naar Turkije met oplegging van een dwangsom.