ECLI:NL:RBSGR:2006:AW1826
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning op grond van eenmalige regeling en discretionaire bevoegdheid
Verzoeker, een asielzoeker uit Sri Lanka, diende op 15 mei 2003 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier op grond van klemmende redenen van humanitaire aard en zijn schrijnende situatie. De minister wees de aanvraag bij besluit van 8 juli 2003 af, waarna verzoeker bezwaar maakte dat op 5 december 2005 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde verzoeker beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening ter voorkoming van uitzetting.
De voorzieningenrechter beoordeelde of de minister terecht geen gebruik had gemaakt van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid (art. 4:84 Awb Pro) om af te wijken van het beleid in de eenmalige regeling voor asielzoekers (TBV 2003/38) en of de discretionaire bevoegdheid (art. 3.4, derde lid, Vb 2000) juist was toegepast. De kernvraag was of verzoeker zich in een uitzonderlijke en schrijnende situatie bevond die een verblijfsvergunning rechtvaardigde.
De rechtbank oordeelde dat de minister een ruime beoordelingsvrijheid toekomt en dat het oordeel slechts terughoudend getoetst kan worden. Verzoeker had elf jaar in Nederland verbleven en was ingeburgerd, maar had meerdere negatieve beslissingen ontvangen en bewust gekozen Nederland niet te verlaten ondanks vertrekplicht. Dit leidde niet tot een uitzonderlijke en schrijnende situatie. De minister had zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen verblijfsvergunning verleend hoefde te worden.
De voorzieningenrechter verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werden geen proceskosten aan partijen opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van verzoeker tegen de weigering van een verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.