ECLI:NL:RBSGR:2006:AW3536
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning wegens betrokkenheid bij ernstige misdrijven en onvoldoende risico op artikel 3 EVRM-behandeling
Eiser, afkomstig uit de Democratische Republiek Congo, heeft asiel en een reguliere verblijfsvergunning aangevraagd. Hij was werkzaam bij de veiligheidsdienst AND/SNIP onder het Mobutu-regime en wordt ervan verdacht betrokken te zijn geweest bij ernstige misdrijven zoals foltering en moord. Verweerder heeft op grond van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag de aanvragen afgewezen, omdat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser persoonlijk en bewust heeft deelgenomen aan deze misdrijven.
De rechtbank bevestigt dat de brief van het Openbaar Ministerie waarin staat dat eiser niet als verdachte wordt aangemerkt, niet afdoet aan de ernstige vermoedens. Ook is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op een met artikel 3 EVRM Pro strijdige behandeling, ondanks eerdere martelingen in 1997. Er zijn geen aanwijzingen dat hij nog wordt gezocht of risico loopt op wraakacties.
De rechtbank oordeelt dat verweerder het juiste toetsingskader heeft gehanteerd en dat het bestreden besluit in stand kan blijven. Het beroep tegen de afwijzing van zowel de asiel- als de reguliere verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor het toekennen van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunningen wordt ongegrond verklaard.