ECLI:NL:RBSGR:2006:AW4033
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J.H. Keuzenkamp
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning bij partner met terugwerkende kracht en beoordeling aanvraag voortgezet verblijf
Eiser, van Turkse nationaliteit, had een verblijfsvergunning voor verblijf bij partner verleend vanaf 19 september 2000. Verweerder trok deze vergunning met terugwerkende kracht in per 4 maart 2003 vanwege het feit dat de relatie feitelijk was verbroken. Tevens wees verweerder de aanvraag van eiser voor wijziging van de verblijfsvergunning in voortgezet verblijf af, maar verleende een vergunning op grond van het Besluit 1/80 met ingang van 27 januari 2004.
De rechtbank oordeelde dat de intrekking met terugwerkende kracht toegestaan is op grond van de Vreemdelingenwet 2000 en dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat de relatie langer dan tot 4 maart 2003 voortduurde. De aanvraag voor voortgezet verblijf werd afgewezen omdat eiser niet voldeed aan de vereisten van artikel 3.51 Vreemdelingenbesluit 2000.
Wel stelde de rechtbank vast dat verweerder onzorgvuldig had gehandeld door pas op 14 januari 2004 om aanvullende gegevens te vragen, waardoor de vergunning op grond van het Besluit 1/80 pas met ingang van 27 januari 2004 werd verleend. Dit leidde tot een verblijfsgat vanaf 4 maart 2003. De rechtbank verklaarde dit deel van het beroep gegrond en vernietigde de beslissing op bezwaar in zoverre.
De rechtbank veroordeelde verweerder tot vergoeding van de proceskosten en bepaalde dat verweerder opnieuw op het bezwaar moet beslissen met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak.
Uitkomst: De intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht is toegestaan, maar de aanvraag op grond van het Besluit 1/80 is onzorgvuldig behandeld en dient opnieuw te worden beoordeeld.