ECLI:NL:RBSGR:2006:AX3984

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
1 mei 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 05/34737, 05/34734
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:29 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beperking kennisname vertrouwelijke stukken in asielprocedure niet gerechtvaardigd

Eiser, van Rwandese nationaliteit, betwistte de conclusies van een individueel ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken. De minister had de onderliggende documenten, waaronder Franstalige brieven en rapporten, aan de rechtbank verstrekt met het verzoek tot beperkte kennisname op grond van artikel 8:29 Awb Pro.

De rechtbank heeft de minister herhaaldelijk verzocht om officiële Nederlandse vertalingen van de vertrouwelijke stukken, aangezien die noodzakelijk werden geacht voor een goede behandeling van de zaak. De minister weigerde echter deze vertalingen te verstrekken.

De rechtbank concludeerde dat de minister onvoldoende heeft onderbouwd waarom de kennisname van de stukken beperkt zou moeten blijven. Daarom werd beslist dat de beperking van de kennisneming niet gerechtvaardigd is en dat de stukken volledig toegankelijk moeten zijn voor de rechtbank en partijen.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de beperking van kennisname van vertrouwelijke stukken niet gerechtvaardigd is.

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE
Sector Bestuursrecht
nevenzittingsplaats Haarlem
zaaknummer: AWB 05 / 34737 en 05 / 34734
enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken
in de zaak van:
A,
geboren op [...] 1985, van Rwandese nationaliteit, eiser,
gemachtigde: mr. G.A. Warris, advocaat te Haarlem,
tegen:
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,
1. OVERWEGINGEN
1.1 In opgemelde procedure heeft verweerder gerefereerd aan het individueel ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 5 april 2005 met kenmerk DPV / AM-U030317.0262/808759. De conclusies van dit ambtsbericht zijn namens eiser betwist. Op verzoek van de rechtbank heeft de minister van Buitenlandse Zaken bij brief van 15 november 2005 de onderliggende stukken van het ambtsbericht aan de rechtbank verzonden, te weten:
– een memorandum van 2 mei 2003 van de afdeling Asiel- en Migratiezaken aan de Nederlandse Ambassade te Kigali;
– een memorandum van 6 januari 2004 van de Nederlandse Ambassade te Kigali aan de afdeling Asiel- en Migratiezaken, met als bijlagen de volgende stukken:
– een Franstalige brief van de Nederlandse Ambassade te Kigali aan de vertrouwenspersoon van 4 juni 2003;
– een Franstalig rapport van de vertrouwenspersoon van 26 september 2003;
– een Franstalige brief van de Nederlandse Ambassade te Kigali aan de vertrouwenspersoon van 30 september 2003;
– een Franstalige brief van de Nederlandse Ambassade te Kigali aan de vertrouwenspersoon van 3 december 2003;
– een Franstalig rapport van de vertrouwenspersoon van 29 december 2003.
1.2 De minister van Buitenlandse Zaken heeft met een beroep op artikel 8:29 Algemene Pro Wet Bestuursrecht (Awb) de rechtbank meegedeeld dat er naar zijn mening gewichtige redenen bestaan die rechtvaardigen dat kennisneming van bepaalde gedeelten in de onder 1.1. genoemde documenten tot de rechtbank beperkt dient te blijven. De redenen voor de beperking van de kennisname heeft de Minister van Buitenlandse Zaken in de gemaskeerde versie aangegeven met cijfers bij de desbetreffende passages.
1.3 Bij brief van 2 november 2005 heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld te reageren op de door de minister van Buitenlandse Zaken verzochte vertrouwelijkheid. Bij brief van 7 november 2005 heeft eiser de rechtbank meegedeeld dat toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, Awb, wordt verleend. Bij brief van 25 november 2005 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de door de minister van Buitenlandse Zaken verzochte vertrouwelijke motivering gerechtvaardigd moet worden geacht. Zo de rechtbank van oordeel is dat beperking van de kennisgeving gerechtvaardigd is, verleent verweerder toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, Awb.
1.4 De rechtbank is van oordeel dat de door de minister van Buitenlandse Zaken verzochte beperkte kennisname van de in de overgelegde stukken aangegeven passages niet gerechtvaardigd is op de door de minister weergegeven gronden. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.
1.5 De rechtbank heeft de minister van Buitenlandse Zaken bij brief van 25 januari 2006, en herhaald op 14 maart 2006, verzocht om een officiële vertaling in het Nederlands van de Franstalige vertrouwelijke stukken die zijn bijgevoegd bij het memorandum van 6 januari 2004 van de Ambassade te Kigali. De rechtbank acht het ontvangen van een vertaling van voornoemde onderliggende stukken noodzakelijk voor een goede behandeling van deze zaak. De minister van Buitenlandse Zaken heeft bij brieven van 8 februari 2006 en 20 april 2006 de rechtbank geïnformeerd dat geen reden wordt gezien om tot vertaling van de onderliggende stukken over te gaan.
1.6 Gezien het voorgaande heeft de minister van Buitenlandse Zaken onvoldoende onderbouwd dat een beperkte kennisname van de onderliggende stukken gerechtvaardigd is.
2. BESLISSING
De rechtbank:
bepaalt dat de beperking van de kennisneming niet gerechtvaardigd is.
Deze beslissing is gegeven door mr. H.P. van der Lelie, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, op 1 mei 2006, opgemaakt door mr. A.W. Martens als griffier.
afschrift verzonden op: